Gepubliceerd op vrijdag 6 november 2026
IT 5598
Rechtbank Rotterdam ||
3 sep 2025,
Rechtbank Rotterdam 3 sep 2025,, IT 5598; ECLI:NL:RBROT:2025:12419 ([eiseres] tegen [gedaagde]), https://www.itenrecht.nl/artikelen/softwarebedrijf-aansprakelijk-wegens-onrechtmatig-handelen-tijdens-onderhandelingen-over-samenwerking

Softwarebedrijf aansprakelijk wegens onrechtmatig handelen tijdens onderhandelingen over samenwerking

Rb. Rotterdam 3 september 2025, IT 5598; ECLI:NL:RBROT:2025:12419 ([eiseres] tegen [gedaagde]). Twee softwarebedrijven zijn in 2023 in gesprek gegaan over een samenwerking voor het ontwikkelen en aanbieden van communicatiesoftware voor het sociale domein. Nadat zij gezamenlijk onder de naam van [gedaagde] hadden ingeschreven op een aanbesteding van twee gemeenten en de opdracht aan [gedaagde] was gegund, ontstond onenigheid over de financiële voorwaarden van de samenwerking. Partijen waren overeengekomen dat [eiseres] 30% van de eenmalige implementatievergoeding van € 450.000 zou ontvangen, maar bereikten geen overeenstemming over de verdeling van de werkzaamheden en inkomsten voor het beheer en onderhoud van de software. Volgens de rechtbank behoorden deze afspraken tot de essentiële onderdelen van de beoogde samenwerkingsovereenkomst, omdat de opdracht van de gemeenten naast implementatie ook minimaal vijf jaar beheer en onderhoud omvatte. Nu partijen daarover geen overeenstemming hadden bereikt, is geen samenwerkingsovereenkomst tot stand gekomen. De rechtbank wijst daarom de vordering van [eiseres] tot betaling van € 175.000 op grond van die overeenkomst af. Wel moet [gedaagde] een factuur van € 121.000 inclusief btw betalen voor verrichte implementatiewerkzaamheden. Partijen hadden namelijk afzonderlijk afgesproken dat [eiseres] deze werkzaamheden tegen € 100 per uur, tot maximaal € 100.000 exclusief btw, mocht factureren, ook wanneer de onderhandelingen niet tot een samenwerkingsovereenkomst zouden leiden. De rechtbank veroordeelt [gedaagde] tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met wettelijke handelsrente vanaf 30 augustus 2024, en € 40 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 september 2024.

Daarnaast oordeelt de rechtbank dat [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld tijdens de onderhandelingen. Hoewel [gedaagde] de onderhandelingen formeel heeft beëindigd, was het afbreken daarvan volgens de rechtbank het gevolg van de opstelling van [eiseres]. [Gedaagde] mocht erop vertrouwen dat partijen een redelijke verdeling van de jaarlijkse licentievergoeding voor beheer en onderhoud zouden overeenkomen. [Eiseres] verlangde aanvankelijk een jaarlijkse omzetgarantie van € 100.000 en deed vervolgens een voorstel dat bij het uitblijven van nieuwe opdrachten zou neerkomen op een jaarlijkse betaling van € 47.500, terwijl de jaarlijkse licentievergoeding van de gemeenten ongeveer € 35.000 bedroeg. Volgens de rechtbank kon [eiseres] onder deze omstandigheden niet in redelijkheid een vergoeding verlangen die hoger lag dan de totale jaarlijkse licentievergoeding. Daarbij weegt mee dat partijen al aanzienlijke werkzaamheden hadden verricht en investeringen hadden gedaan, [gedaagde] zich met medeweten van [eiseres] tegenover de gemeenten had verbonden en de implementatiedeadline naderde. De rechtbank oordeelt dat [eiseres] daarmee in strijd heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die zij tegenover [gedaagde] in acht moest nemen. Dit handelen is onrechtmatig en aan [eiseres] toe te rekenen. Zij moet daarom op grond van artikel 6:162 BW de schade van [gedaagde] vergoeden. Omdat de omvang van de schade, waaronder de kosten van een vervangende softwareleverancier, nog niet kan worden vastgesteld, verwijst de rechtbank de schadevaststelling naar een schadestaatprocedure. De schadevordering van [eiseres] wegens het afbreken van de onderhandelingen wordt afgewezen. De proceskosten worden gecompenseerd, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.

5.35.

De jaarlijkse licentievergoeding bedroeg € 35.000,- per jaar. Op 12 juni 2024 eiste [eiseres] echter een omzetgarantie van € 100.000,- van [gedaagde] , zie 3.17. Dit zou betekenen dat [gedaagde] , indien het bij één klant zou blijven, de gehele licentievergoeding aan [eiseres] zou moeten betalen en daar bovenop nog € 65.000,- per jaar aan [eiseres] zou moeten betalen. Deze eis van [eiseres] was voor [gedaagde] terecht onaanvaardbaar omdat [gedaagde] er op mocht vertrouwen dat partijen de jaarlijkse licentievergoeding van € 35.000,- naar redelijkheid zouden verdelen en dat [eiseres] dus geen aanspraak zou maken op méér dan die jaarlijkse vergoeding.

5.36.

[eiseres] heeft vervolgens op 17 juli 2024 een nieuw voorstel gedaan (zie 3.18). Dit hield in dat [eiseres] € 15.000,- van de jaarlijkse licentievergoeding zou krijgen en dat [gedaagde] daarnaast jaarlijks € 32.500,- aan [eiseres] zou betalen, welk bedrag [gedaagde] zou kunnen terugverdienen door voor € 65.000,- omzet voor [eiseres] te genereren. Ook dit voorstel was voor [gedaagde] terecht onaanvaardbaar omdat het erop neerkwam dat, indien er niet meer opdrachten zouden volgen, [gedaagde] jaarlijks (€ 15.000,- + € 32.500,- =) € 47.500,- aan [eiseres] zou moeten betalen, hetgeen meer is dan de jaarlijkse licentievergoeding.

5.37.

Als laatste heeft [gedaagde] nog een voorstel gedaan. [eiseres] zou in dat voorstel € 40.000,- extra krijgen van de implementatievergoeding (dus in totaal € 175.000,-) en zou € 15.000,- krijgen van de jaarlijkse licentievergoeding. Dit voorstel is door [eiseres] niet aanvaard, waarna [gedaagde] de onderhandelingen heeft beëindigd.

5.38.

Het handelen van [eiseres] in juni en juli 2024 is naar het oordeel van de rechtbank in de gegeven omstandigheden in strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt, en daarmee onrechtmatig. [gedaagde] mocht ervan uitgaan, zoals in 5.32 overwogen, dat [eiseres] het beheer en onderhoud van haar eigen module zou verrichten en daarvoor een deel van de door de gemeenten te betalen jaarlijkse licentievergoeding zou ontvangen. [gedaagde] mocht er dus op vertrouwen dat zij met [eiseres] overeenstemming zou bereiken over een redelijke verdeling van die jaarlijkse vergoeding. [eiseres] kon daarom in redelijkheid niet een jaarlijkse vergoeding van [gedaagde] eisen die hoger lag dan de door de gemeenten te betalen jaarlijkse vergoeding. Zij heeft dat wel gedaan en daarmee heeft zij gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die zij jegens [gedaagde] in acht behoorde te nemen. Dat klemt te meer nu [gedaagde] zich, met instemming, althans medeweten van [eiseres] jegens de gemeenten verbonden had, partijen al veel werk hadden verzet en veel geld hadden besteed aan het project, en de deadline voor de implementatie (1 januari 2025) nabij was. Dat het beheer en onderhoud verlieslatend zou zijn als er niet meer klanten zouden komen, doet hier niet aan af. [eiseres] wist dat immers toen partijen inschreven op de aanbesteding van de gemeenten, en gegeven de e-mail van [bestuurder 2] van 21 november 2023 (zie 3.6), waarin deze schreef “Een enkele opdracht als deze is voor geen van beide winstgevend te maken” mocht [gedaagde] ervan uitgaan dat [eiseres] bereid was dat mogelijke verlies te nemen.