Gepubliceerd op maandag 31 augustus 2026
IT 5478
Hoge Raad ||
18 aug 2026,
Hoge Raad 18 aug 2026,, IT 5478; ECLI:NL:HR:2026:1351 (Verdachte tegen het Openbaar Ministerie), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/taakstraf-naast-tien-maanden-onvoorwaardelijke-gevangenisstraf-in-strijd-met-artikel-9-lid-4-sr

Taakstraf naast tien maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf in strijd met artikel 9 lid 4 Sr

HR 18 augustus 2026, IT 5478; ECLI:NL:HR:2026:1351 (Verdachte tegen het Openbaar Ministerie). De Hoge Raad oordeelt in deze economische strafzaak over de strafoplegging aan een verdachte die onder meer was veroordeeld voor witwassen, het medeplegen van het voorhanden hebben van grote hoeveelheden professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik, het voorhanden hebben van munitie en het voorhanden hebben van een jammer in strijd met de Telecommunicatiewet. Het gerechtshof Amsterdam legde een gevangenisstraf van twintig maanden op, waarvan tien maanden voorwaardelijk, en daarnaast een taakstraf van 240 uur. Het derde cassatiemiddel klaagde dat daarmee een wettelijk niet toegestane combinatie van straffen was opgelegd. Op grond van artikel 9 lid 4 Sr kan naast een gevangenisstraf een taakstraf worden opgelegd indien het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel van de gevangenisstraf ten hoogste zes maanden bedraagt. De overige cassatieklachten konden volgens de Hoge Raad niet tot vernietiging leiden en zijn met toepassing van artikel 81 lid 1 RO afgedaan.

De Hoge Raad bevestigt dat bij de toepassing van artikel 9 lid 4 Sr onder het “onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel” het onvoorwaardelijke deel van de door de rechter opgelegde gevangenisstraf moet worden verstaan. Daarbij is niet relevant of en in hoeverre de tijd die de verdachte in inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht op grond van artikel 27 lid 1 Sr bij de tenuitvoerlegging in mindering wordt gebracht. Omdat van de door het hof opgelegde gevangenisstraf tien maanden onvoorwaardelijk ten uitvoer moesten worden gelegd en daarnaast een taakstraf van 240 uur was opgelegd, is de totale strafoplegging in strijd met artikel 9 lid 4 Sr. De Hoge Raad vernietigt het arrest daarom uitsluitend wat betreft de strafoplegging en wijst de zaak in zoverre terug naar het gerechtshof Amsterdam om opnieuw te worden berecht en afgedaan. Voor het overige wordt het cassatieberoep verworpen.

Economische zaak. Witwassen van geldbedrag (art. 420bis.1.b Sr), medeplegen voorhanden hebben van grote hoeveelheden professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik (art. 1.2.2.1 Vuurwerkbesluit jo. 9.2.2.1 Wet milieubeheer), voorhanden hebben van munitie (art. 26.1 WWM) en voorhanden hebben van jammer (art. 10.9.1 (oud) Telecommunicatiewet). Cumulatie van straffen. Strafoplegging in strijd met art. 9.4 Sr, nu aan verdachte gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, is opgelegd in combinatie met taakstraf van 240 uren?

Opvatting dat bij beantwoording van vraag of combinatie van straffen in strijd is met art. 9.4 Sr niet van belang is hoe lang verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, is juist. Onder “onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel” wordt verstaan onvoorwaardelijk deel van de door rechter opgelegde gevangenisstraf. Voor het bepalen of “onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel” ten hoogste 6 maanden bedraagt, is dus niet van belang of en, zo ja, in hoeverre bij tul van dat onvoorwaardelijke deel o.g.v. art. 27.1 Sr tijd die eventueel in inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering zal worden gebracht.

Hof heeft aan verdachte een gevangenisstraf van 20 maanden opgelegd, waarvan 10 maanden voorwaardelijk. Daarnaast heeft hof de verdachte een taakstraf van 240 uren opgelegd. Totale strafoplegging is in strijd met art. 9.4 Sr.

Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing t.a.v. strafoplegging. Samenhang met 24/02906 P en 24/02853 P.