IT 3325

Toch schending Wbp wegens mogelijke reputatieschade

Hof Amsterdam 17 november 2020, IEF 19585, IT 3325; C/14/251636 HA ZA 16-763 (Gemeente Alkmaar c.s. tegen Zorgvervoercentrale Nederland c.s.) Privacyrecht. Onrechtmatige publicatie. In eerste aanleg [IEF 17096] is beslist dat de gemeenten aansprakelijk zijn voor de schade die door ZCN c.s. is geleden als gevolg van het onrechtmatig publiceren van een bestand van ZCN c.s. In dit bestand stonden persoonsgegevens van klanten van ZCN c.s. In hoger beroep wordt bevestigd dat ZCN c.s. niet rechtstreeks rechten kunnen ontlenen aan de Wbp met betrekking tot de persoonsgegevens van hun klanten. Wel kwalificeert schending van de Wbp als een schending van een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm in de zin van art. 6:162 BW.

Meer concreet stellen ZCN c.s. dat zij reputatieschade lijden door de publicatie van de persoonsgegevens. Er is immers gerede kans dat bij het publiek de indruk ontstaat dat zij medeplichtig zijn aan het openbaar worden van die gegevens. Voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure is de mogelijkheid van schade al voldoende. In incidenteel appel voeren ZCN c.s. nog aan dat tevens tegen Reva onrechtmatig is gehandeld. De gemeenten hebben deze stelling niet bestreden. Het vonnis wordt vernietigd voor zover daarbij in de zaak tussen Reva en de gemeenten de vorderingen zijn afgewezen en voor recht wordt verklaard dat de gemeenten jegens Reva aansprakelijk zijn voor de schade, welke schade nog dient te worden opgemaakt bij staat.

3.16. Vaststaat dat het door de gemeenten gepubliceerde bestand persoonsgegevens bevatte van klanten van ZCN c.s. De rechtbank heeft naar aanleiding van de stelling van ZCN c.s. dat het publiceren van deze persoonsgegevens jegen hen onrechtmatig is, overwogen dat de bepalingen van de Wbp niet strekken ter be cherming van de belangen van ZCN c.s. De rechtbank heeft voorts overwogen dat ZCN c.s. niet duidelijk hebben gemaakt, althans niet hebben onderbouwd, waaruit hun schade ten gevolge van de schending van de Wbp bestaat. De grieven VII en VIII in incidenteel appel zijn gericht tegen deze overwegingen.

3.17. Het hof kan zich vinden in de overweging dat de bepalingen van de Wbp niet strekken ter bescherming van ZCN c.s., in die zin dat zij aan de Wbp niet rechtstreeks rechten kunnen ontlenen met betrekking tot de persoonsgegevens van hun klanten. ZCN c.s. stellen nog wel dat n schending van de Wbp tevens kwalificeert als een schendig van de ongeschr en zorg uldigheidsnormen in de zin van artikel 6:162 BW. Meer concreet stellen zij dat zij mogelijk reputatieschade lijden door de publicatie van de persoonsgegevens. Er is immers een gerede kans dat bij het publiek de indruk ontstaat dat zij medeplichtig zijn aan het openbaar worden van die gegevens, aldus ZCN c.s. De gemeenten stellen zich op het standpunt dat ZCN c.s. niet hebben aangetoond dat zij reputatieschade hebben geleden. Dat is in dit geding echter niet van betekenis. Voor een verwijzing naar de.schadestaatprocedure, zoals door ZCN c.s. gevorderd, is immers de mogelijkheid van schade voldoende. Het hof volgt ZCN c.s. in hun stelling dat de mogelijkheid van reputatieschade door het publiceren van de persoonsgegevens aanwezig is. Ook is in zoverre sprake van een normschending jegens ZCN c.s. Dat ZCN c.s. steeds zelf de pers heeft opgezocht, zoals de gemeenten aanvoeren, is in dit geding evenmin van betekenis en kan in de schadestaatprocedure aan de orde komen.

3.18. Een en ander leidt niet tot andere beslissingen dan de rechtbank heeft genomen. In die zin falen de grieven VII en VIII in incidenteel appel. Wel is hetgeen naar aanleiding van de grieven is overwogen, van betekenis voor de schadestaatprocedure.