IT 3519

Totstandkoming overeenkomst voor maken van websites blijkt uit verklaringen gedaagde

Rechtbank Noord-Holland 17 maart 2021, IT 3519; ECLI:NL:RBNHO:2021:3351 (Eiser tegen Autoschade) Eiser heeft een drietal websites voor Autoschade (gedaagde) gemaakt. Gedaagde heeft via zijn gemachtigde aangegeven dat er geen daadwerkelijke opdracht aan eiser is verstrekt. Eiser is van mening dat de gedaagde akkoord is gegaan met de offerte en dat er dus een overeenkomst tot stand is gekomen. De rechtbank stelt de eiser in het gelijk, omdat uit de verklaringen en gedragingen van partijen is gebleken dat er een overeenkomst tot stand is gekomen.

5.3. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] voldoende onderbouwt dat zijn op 21 oktober 2017 verzonden offerte door [gedaagde] is geaccepteerd. Zo heeft [gedaagde] op 22 november 2017 bericht: “Het zag er prima uit!” en op 13 februari 2018 schrijft [gedaagde] onder meer: “De tijd is daar om te starten”. Verder heeft [gedaagde] op 7 maart 2018 contact opgenomen met haar hostingprovider in verband met gegevens die [eiser] nodig had voor zijn werkzaamheden en reageert [gedaagde] op 3 april 2018 op de door [eiser] gedane suggesties voor een domeinnaam voor de scooterwebsite. Ook heeft [eiser] [gedaagde] gevraagd om content voor de websites en planningen en demo’s van de websites aan [gedaagde] gestuurd. [eiser] mocht er op grond van de verklaringen en gedragingen van [gedaagde] gerechtvaardigd op vertrouwen dat [gedaagde] de offerte had geaccepteerd en er dus een overeenkomst tussen partijen tot stand was gekomen. Het verweer dat nergens uit blijkt dat er een overeenkomst is gesloten wordt daarom verworpen.

5.4. (…) Nu [eiser] de werkzaamheden al grotendeels had verricht (en ongedaanmaking niet meer mogelijk is) heeft hij recht op vergoeding van de reeds verrichte werkzaamheden (en geleden schade). Ter zitting heeft [eiser] desgevraagd meegedeeld dat hij 90% van de werkzaamheden aan de websites al had verricht. Door [gedaagde] is nog aangevoerd dat zij niets van de websites heeft gezien. Deze stelling is uitdrukkelijk en onderbouwd door [eiser] weersproken (zie hiervoor 2.9), zodat dit verweer wordt verworpen. Ook het nadere verweer van [gedaagde] dat de werkzaamheden van [eiser] een jaar stil hadden gelegen wordt verworpen. Niet is gesteld of gebleken dat partijen een fatale termijn voor het afleveren van de websites hadden afgesproken, noch is gebleken dat [gedaagde] [eiser] heeft aangemaand of ingebrekegesteld tot het (af)maken en leveren van de websites. (…)