IT 2658

Tuchtrechter: Dreiging met aangifte van laster door advocaat niet onbegrijpelijk na "onnozele onzin"

Vz. Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 3 oktober 2018, IEF 18042; IT 2658; zaak 18-577 (Beloning juridisch medewerker) Tuchtrecht. Mediarecht. Na enkele weken werken als juridisch medewerker bij verweerder, heeft klager van hem te horen gekregen dat hij niet meer op het kantoor van verweerder hoefde te komen. Klager heeft voor de door hem verrichte werkzaamheden geen beloning ontvangen. Verweerder heeft in kort geding over een negatieve uitlating op social media door klager aangegeven bereid te zijn alsnog een vergoeding te geven aan klager. Dit staat niet in het dictum en dit is hij niet nagekomen. Klager heeft meerdere malen per e-mail verzocht dit alsnog te doen, maar verweerder heeft gedreigd aangifte te doen van laster indien klager hem alsnog met  "deze onnozele onzin" benadert. De klacht houdt in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in art. 46 Advocatenwet door het niet nakomen van de rechterlijke uitspraak en het op onnodig grievende wijze dreigen met het doen van aangifte tot laster. Of er sprake is van een onvoorwaardelijke toezegging van de verweerder, is een vraag waarover de civiele rechter oordeelt. Het is niet onbegrijpelijk dat verweerder na het zoveelste verzoek op voornoemde wijze reageert. Het verwijt dat verweerder in zijn e-mail heeft gedreigd met het doen van aangifte is evenmin (onnodig) grievend. Klager heeft zich in de tussentijd kennelijk niet willen wenden tot de civiele rechter voor nakoming. De klachten zijn ongegrond.

4.5    De voorzitter is van oordeel dat van (onnodig) grievende uitlatingen van verweerder jegens klager in zijn e-mail van 16 februari 2018 geen sprake is. Als onvoldoende betwist staat vast dat klager zich na de vermeende toezegging door verweerder in 2012 meermalen tot verweerder heeft gewend met steeds het verzoek om – kort gezegd – tot betaling over te gaan. Op deze verzoeken heeft verweerder kennelijk steeds afwijzend gereageerd, althans, verweerder heeft daaraan om hem moverende redenen geen gehoor willen geven, welk standpunt klager inmiddels bekend was of kon zijn. Of  dit standpunt van verweerder terecht was, en of dus sprake is (geweest) van een onvoorwaardelijke toezegging door verweerder, is een vraag waarover enkel de civiele rechter oordeelt. Daarover zal de tuchtrechter zich niet uitlaten. Los daarvan is niet onbegrijpelijk dat verweerder na het zoveelste verzoek van klager en na een tijdsverloop van inmiddels vijf jaar na de vermeende toezegging, op voornoemde wijze heeft gereageerd. Althans, niet kan worden gezegd dat de door verweerder bezigde term ‘onnozele onzin’ als zó (onnodig) grievend jegens klager moet worden aangemerkt dat verweerder daarmee het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad.

4.6    Wat betreft het verwijt dat verweerder in zijn e-mail heeft gedreigd met het doen van aangifte wegens laster, oordeelt de voorzitter dit evenmin (onnodig) grievend jegens klager. Ook deze opmerking moet worden bezien in het licht van hetgeen zich reeds tussen partijen heeft afgespeeld en de inmiddels verstreken tijd waarin klager zich kennelijk niet heeft willen wenden tot de civiele rechter voor nakoming van de vermeende toezegging maar zich steeds tot verweerder is blijven wenden terwijl zijn standpunt klager reeds helder was, althans had kunnen zijn.