IT 3652

Uber-chauffeurs vallen onder CAO Taxivervoer

Rechtbank Amsterdam 13 september 2021, IT 3652; ECLI:NL:RBAMS:2021:5029 (FNV tegen Uber) FNV is partij bij de CAO Taxivervoer. De CAO Taxivervoer is de afgelopen jaren op verschillende momenten algemeen verbindend verklaard geweest. Uber beheert een digitale applicatie waarmee wordt bemiddeld rond het personenvervoer per auto tegen betaling. Hierbij richt Uber zich op de 'bel- en bestelmarkt'. FNV heeft Uber aangesproken op het naleven van de CAO Taxivervoer. Uber heeft dat geweigerd. In deze rechtszaak vordert FNV dat verklaard wordt dat de CAO Taxivervoer ook voor Uber algemeen verbindend is (geweest). Hier vloeit het verzoek uit voort om aan chauffeurs het achterstallig salaris te voldoen waarop zij ingevolge deze CAO recht op hebben. FNV stelt dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst in de zin van 7:610 BW, aangezien er wordt voldaan aan de eisen van arbeid, loon en gezag. Uber voert als verweer dat zij geen werkgever is, maar een technologiebedrijf. Dit verweer wordt verworpen, aangezien chauffeurs akkoord moeten gaan met voorwaarden en hierbij een overeenkomst sluiten. Ook aan de andere vereisten voor een arbeidsovereenkomst wordt voldaan. De kantonrechters veroordelen Uber om voor de periodes dat de CAO Taxivervoer algemeen verbindend verklaard is (geweest), deze integraal na te leven jegens de chauffeurs.

16. Anders dan in Groen/Schoevers (ECLI:NL:HR:1997: ZC2495) en X./Gemeente Amsterdam (ECLI:NL:HR:2020:1746) gaat het gelet op de vordering van FNV om álle chauffeurs die in persoon zich hebben aangemeld en middels de app voor Uber rijden, zodat geen toetsing van de overeenkomst tussen een individuele chauffeur en Uber plaatsvindt. Enkel de algemene kenmerken van de rechtsverhouding tussen de chauffeurs en Uber worden in deze zaak betrokken. Dit staat – anders dan Uber heeft betoogd – evenwel niet in de weg aan een inhoudelijke beoordeling van de rechtsverhouding, nu de uitgangspunten voor iedere chauffeur die de Uberapp gebruikt, dezelfde zijn.

17. Het toetsingskader voor de beoordeling of sprake is van een arbeidsovereenkomst wordt gevormd door artikel 7:610 BW, nader ingevuld door (onder meer) de twee bovengenoemde arresten. Dat betekent dat over en weer de inhoud van de rechten en verplichtingen van partijen dient te worden vastgesteld, waarbij zo nodig een uitleg aan de hand van de zogenoemde Haviltexmaatstaf en de werkelijke (materiele) verhouding die partijen voor ogen heeft gestaan een rol kunnen spelen, evenals de wijze waarop partijen feitelijk aan de overeenkomst uitvoering hebben gegeven. Aan de hand van de op deze wijze vastgestelde inhoud van de overeenkomst kan vervolgens worden bepaald of de overeenkomst de kenmerken van een arbeidsovereenkomst bevat, of bijvoorbeeld van een overeenkomst van opdracht. Daarbij is niet één enkel kenmerk beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien.