IT 3726

UBO-wetgeving hoeft niet buiten werking worden gesteld

Gerechtshof Den Haag 16 november 2021, IEF 20353, IT 3726; ECLI:NL:GHDHA:2021:2176 (Privacy First tegen de Staat) Kort geding. Naar aanleiding van de Europese anti-witwas richtlijn is in de Nederlandse wetgeving bepaald dat vennootschappen in het handelsregister moeten registreren wie hun ’ultimate beneficial owners’ (UBO’s) zijn. Met deze UBO’s zijn bedoeld de natuurlijke personen die de uiteindelijke eigenaren zijn. Daarbij moeten persoonsgegevens en de aard en omvang van het door hen gehouden economisch belang worden opgegeven. Het algemene publiek kan via het UBO-register economisch belang, geboortemaand- en jaar, en woonplaats en nationaliteit van de UBO te weten komen, maar het adres, burgerservicenummer, en geboorteland en -datum zijn alleen door instanties als de Belastingdienst in te zien.

De stichting Privacy First vordert in dit kort geding buitenwerkingstelling van de UBO-wetgeving. Volgens haar is die wetgeving in strijd met het grondrecht van de UBO’s op privacy en met hun recht op bescherming van hun persoonsgegevens. De voorzieningenrechter heeft de vordering van Privacy First afgewezen. Het Haagse gerechtshof komt tot dezelfde beslissing. De reden daarvoor is dat niet aannemelijk is gemaakt dat de UBO’s op korte termijn ernstige schade zullen leiden. Dat is een vereiste om op Europese richtlijnen gebaseerde wetgeving in een kort geding buiten werking te kunnen stellen.

3.13  Het onder 3.7 t/m 3.12 overwogene overziend kan onvoldoende aannemelijk worden geacht dat voor de UBO’s wier belangen Privacy First behartigt, ernstige schade als gevolg van openbaarmaking van de UBO-gegevens dreigt. Nog minder aannemelijk is dat ernstige schade dreigt als gevolg van louter registratie van die gegevens.