3 jun 2026,
Vertrouwelijkheidsregime voor bedrijfsgevoelige stukken van Google in WAMCA-procedure
Rb. Amsterdam 3 juni 2026, IT 5462; ECLI:NL:RBAMS:2026:7760 (Stichting App Stores Claims tegen Google c.s.). In deze zaak beslist de rechtbank in een WAMCA-procedure over het vertrouwelijkheidsregime voor stukken die Google c.s. in het kader van haar verweer aan Stichting App Stores Claims (ASC) ter beschikking moet stellen. Google had delen van haar conclusie van antwoord en producties zwartgemaakt omdat deze volgens haar vertrouwelijke informatie bevatten. Partijen waren het erover eens dat voor bepaalde informatie een vertrouwelijkheidsregime kon gelden, maar konden geen overeenstemming bereiken over de voorwaarden daarvan. De rechtbank stelt daarom voorlopig, op grond van art. 28 lid 1 onder b en art. 22a lid 3 Rv en naar analogie van art. 1019ib Rv, een vertrouwelijkheidsregime vast. Google mag de betrokken rapporten, onderliggende informatie, getuigenverhoren en commerciële overeenkomsten onderbrengen in twee digitale datarooms: ‘Confidential’ en ‘Highly Confidential’. De eerste is toegankelijk voor advocaten, vertegenwoordigers van ASC en door ASC ingeschakelde deskundigen; de tweede uitsluitend voor advocaten en externe deskundigen. Personen met toegang mogen niet verbonden zijn aan de procesfinancier van ASC.
De rechtbank acht de door Google gegeven toelichting, in samenhang met de zwartgemaakte passages, voorlopig voldoende om de betrokken informatie als vertrouwelijk aan te merken. Google hoeft daarom niet vooraf per afzonderlijk document te motiveren waarom het vertrouwelijk is. Na kennisneming is het aan ASC om concreet aan te geven welke informatie volgens haar ten onrechte als vertrouwelijk is aangemerkt of in de verkeerde vertrouwelijkheidscategorie is geplaatst. Als partijen daarover geen overeenstemming bereiken, kan ASC de rechtbank verzoeken het regime voor specifieke gegevens aan te passen, waarna een rechter-commissaris beslist. De rechtbank acht een financiële prikkel ter naleving van de geheimhouding gerechtvaardigd, maar matigt de door Google voorgestelde dwangsom van € 1 miljoen tot € 100.000 per overtreding, omdat ASC niet met haar procesfinancier kan worden vereenzelvigd en die financier zelf geen toegang tot de informatie krijgt. Personen die beroepshalve al aan een gelijkwaardige of verdergaande geheimhoudingsplicht zijn gebonden, hoeven geen afzonderlijke geheimhoudingsverklaring te ondertekenen. De vertrouwelijkheid blijft ook na beëindiging van de procedure gelden. Voor zover tijdens een mondelinge behandeling vertrouwelijke informatie wordt besproken, kan dat deel achter gesloten deuren plaatsvinden, en vertrouwelijke informatie wordt zo nodig uit een gepubliceerd vonnis weggelaten, eveneens naar analogie van art. 1019ib Rv. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan.
2.5. Het eerste punt dat partijen verdeeld houdt (punt 2 uit de e-mail van Google c.s. van 13 mei 2026) is bij welke partij de motivering van de vertrouwelijkheid ligt. ASC betoogt dat Google c.s. per document of per gedeelte vooraf schriftelijk motiveert waarom die informatie als vertrouwelijk wordt aangemerkt. Google c.s. stelt zich op het standpunt dat het aan ASC is om na kennisname van de stukken gemotiveerd aan te geven welke informatie naar haar oordeel ten onrechte als vertrouwelijk is aangemerkt. Volgens ASC wordt de bewijslast omgekeerd als het standpunt van Google c.s. wordt gevolgd. ASC stelt dat het juist aan Google c.s. is om de vertrouwelijkheid voldoende te onderbouwen omdat zij zich op die vertrouwelijkheid beroept. De rechtbank heeft al aangegeven dat Google c.s. in staat moet zijn om van alle in de datarooms opgenomen informatie aan te geven in welke categorie (“Confidential” en “Highly Confidential”) dit valt en waarom (zie rolbeslissing 1 april 2026 rechtsoverweging 2.3 slot). Google c.s. hoeft echter niet vooraf per document te motiveren waarom die informatie als vertrouwelijk wordt aangemerkt. Google c.s. heeft in haar brief van 12 maart 2026 in combinatie met de zwartgemaakte gedeeltes van de conclusie van antwoord voldoende toegelicht waarop de vertrouwelijkheid ziet en deze vertrouwelijkheid geldt voor de kennisneming van de gegevens in de datarooms, tenzij de rechtbank op een later moment beslist dat bepaalde informatie niet meer onder het vertrouwelijkheidsregime valt.
2.7. Het tweede punt dat partijen verdeeld houdt (punt 1 uit de e-mail van Google c.s. van 13 mei 2026) is de dwangsom. Google c.s. heeft in de geheimhoudingsverklaring (onder punt 5) een dwangsom opgenomen van € 1.000.000 per overtreding. ASC ziet geen aanleiding voor een dwangsom. Google c.s. ziet een risico in de betrokkenheid van een third party litigation funder aan de zijde van ASC en daardoor moet volgens haar de dwangsom zodanig worden vastgesteld dat deze het potentiële strategische voordeel van een eventuele openbaarmaking of ‘lek’ in voldoende mate overstijgt. De rechtbank gaat daar niet in mee. Zoals ASC terecht betoogt kan zij niet worden vereenzelvigd met haar procesfinancier. Bovendien behoort de procesfinancier niet tot de kring van personen die toegang krijgt tot de informatie. Dat ASC betoogt dat er al toereikende – financiële en niet-financiële – prikkels aanwezig zijn, zoals (beroeps)geheimhoudingsverplichtingen, wordt echter ook niet volledig gevolgd. Enige financiële prikkel en sanctionering is nodig. De rechtbank zal de dwangsom echter wel matigen tot € 100.000 per overtreding.
2.10. Tot slot heeft Google c.s. beperkte wijzigingen aangebracht in de artikelen 8 en 9 van de geheimhoudingsverklaring: dit betreft het verzoek de zaak achter gesloten deuren te behandelen voor zover daar vertrouwelijke informatie ter sprake komt en beperkte publicatie van het vonnis. Indien nodig zal de rechtbank ter zitting beslissen dat de mondelinge behandeling voor een alsdan aan te geven beperkt deel achter gesloten deuren zal plaatsvinden. Namelijk alleen dan als één van de onderwerpen aan bod komt ten aanzien waarvan het vertrouwelijkheidsregime geldt. Datzelfde geldt voor publicatie van het vonnis; indien hierin informatie aan bod komt die onder het vertrouwelijkheidsregime valt, zal deze informatie niet worden gepubliceerd. Beide maatregelen worden genomen naar analogie met artikel 1019ib lid 3 en 4 Rv.