IT 2931

Verwijdering van gegevens betalingsachterstanden terecht geweigerd

Rechtbank Oost-Brabant 1 november 2019, IT 2931; ECLI:NL:RBOBR:2019:6316 (Eiser tegen Financiële instellingen) Eiser was zelfstandig ondernemer en is in de financiële problemen geraakt. Dit leidde ertoe dat op eiser de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing was. Eiser heeft bij vonnis een schone lei gekregen, waarbij geen enkele uitkering aan de schuldeisers is gedaan. Fideaal, ICS, ABN AMRO, ING, Aegon, Arrow en Santander (hierna: gedaagden) hebben in het CKI van de Stichting BKR bijzonderheidscodes ten aanzien van eiser laten registreren. Eiser heeft vervolgens Coderingvrij verzocht om te bemiddelen bij het verwijderen van de bijzonderheidscodes vanwege de noodzaak van eiser tot aankoop van een woning in Den Haag, hetgeen zonder hypotheek niet mogelijk is. De vordering van eiser tot verwijdering van zijn persoonsgegevens, met name de bijzonderheidscodes, wordt echter afgewezen omdat de belangenafweging die op grond van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit moet worden gemaakt, uitvalt in het nadeel van eiser. De inbreuk op de belangen van eiser bij de verwijdering van zijn gegevens mag niet onevenredig zijn in verhouding tot het met de verwerking te dienen doel. Daarnaast moet worden gekeken of dit doel niet op een andere, voor eiser minder nadelige wijze kan worden verwezenlijkt. Het doel is de bescherming van andere kredietinstellingen en de huidige financiële situatie lijkt minder stabiel dan hij doet voorkomen.

Op grond van artikel 21 lid 1 AVG kan een persoon, in casu [eiser] , vanwege zijn specifieke situatie bezwaar maken tegen de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens op basis van artikel 6 lid 1 onder (e of) f AVG. De verwerkingsverantwoordelijken, in casu gedaagden, moeten het bezwaar honoreren, tenzij zij dwingende gerechtvaardigde gronden aanvoeren voor de verwerking die zwaarder wegen dan de belangen, rechten en vrijheden van de betrokken persoon. Als het bezwaar wordt gehonoreerd, moet de verwerkingsverantwoordelijke de persoonsgegevens zonder onredelijke vertraging wissen. Als de verwerkingsverantwoordelijke het bezwaar niet honoreert, kan de betrokkene de rechter zo nodig om een doeltreffende voorziening vragen (artikel 79 AVG en artikel 35 UAVG). De rechter toetst of de verwerkingsverantwoordelijke aannemelijk heeft gemaakt dat zijn dwingende gerechtvaardigde belangen (in dit geval het tweeledige doel van de kredietregistratie: het beschermen van de consument tegen overkreditering en het waarschuwen van andere kredietinstellingen) in dit specifieke geval zwaarder wegen dan de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene (overweging 69 AVG).

4.17. Deze afweging moet worden gemaakt aan de hand van de op het moment van de afweging bekende feiten en omstandigheden, zodat daarbij ook feiten en omstandigheden die zich eerst na de registratie hebben voorgedaan kunnen worden betrokken. Bij een dergelijke registratie en de handhaving daarvan moet zijn voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit zodanig dat de inbreuk op de belangen van de bij de verwerking van persoonsgegevens betrokkene, in casu [eiser] , niet onevenredig is in verhouding tot het met de verwerking te dienen doel (proportionaliteitsbeginsel) en dat het doel waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt in redelijkheid niet op een andere, voor de bij de verwerking van persoonsgegevens betrokkene minder nadelige wijze kan worden verwezenlijkt (subsidiariteitsbeginsel). Hiervoor wordt verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 9 september 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BQ8097).

4.18. Voor de beoordeling in deze zaak zijn de volgende omstandigheden van belang. De omvang van de totale schuldenlast waarmee [eiser] de het WSNP-traject is aangevangen is aanzienlijk, te weten € 480.677,16. Dat hij na afloop van het WSNP-traject een schone lei heeft gekregen, betekent niet dat die schuld in het kader van de belangenafweging geen rol speelt. Een WSNP-traject duidt in dit geval op een concreet risico van overkreditering. De omvang van de schuldenlast zegt bovendien iets over de betalingsproblemen van [eiser] in het verleden. Bovendien lijkt [eiser] nog voor het verkrijgen van de schone lei een leaseovereenkomst voor een auto te zijn aangegaan.

4.19. De termijn van vijf jaar, die onder meer is bedoeld om andere kredietinstellingen te beschermen, is bovendien nog maar voor de helft verstreken. De huidige financiële situatie van [eiser] lijkt minder stabiel dan hij doet voorkomen nu hij recentelijk een nieuw dienstverband is aangegaan. Dat dit met de fusie van zijn werkgever te maken heeft, is gesteld, maar niet onderbouwd. De wens van [eiser] om een koopwoning te betrekken in de nabije omgeving van de school, hobby’s en gezondheidszorg van zijn kinderen is weliswaar begrijpelijk, maar weegt niet op tegen de door gedaagden aangevoerde omstandigheden.

4.20. Op grond hiervan valt een belangenafweging uit in het nadeel van [eiser] .