IT 3316

Verzoek om inzage in persoonsgegevens bij gemeente

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13 augustus 2020, IT 3316; ECLI:NL:RBZWB:2020:3789 (Eiser tegen gemeente Bergen op Zoom) Bestuursrecht. AVG. De heffingsambtenaar van de gemeente Bergen op Zoom heeft besloten op een verzoek van eiser tot inzage in persoonsgegevens op grond van de AVG. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Op dat bezwaarschrift is niet tijdig beslist. Vervolgens heeft eiser digitaal beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van de beslissing. Op grond van artikel 12 lid 3 AVG moet de verwerkingsverantwoordelijke de betrokkene onverwijld en in ieder geval binnen een maand na ontvangst van het verzoek tot inzage informatie over het gevolg van dat verzoek gegeven. In artikel 34 van de UAVG is bepaald dat een schriftelijke beslissing op het verzoek geldt als een besluit in de zin van de Awb. Het beroep is kennelijk gegrond. Het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar, dat met een besluit gelijk is te stellen, wordt vernietigd. Gezien de corona-maatregelen, is er sprake van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 8:55d lid 3 Awb. De heffingsambtenaar moet derhalve binnen vier weken alsnog een beslissing op het bezwaar maken.

Het beroep is kennelijk gegrond.
4. In artikel 4:17 van de Awb is bepaald dat als een beschikking niet op tijd wordt genomen, het bestuursorgaan een dwangsom verschuldigd is voor elke dag dat het in gebreke is voor ten hoogste 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was (artikel 4:18, eerste lid, van de Awb).
De heffingsambtenaar heeft de hoogte van de dwangsom niet vastgesteld. De rechtbank doet dit met toepassing van artikel 8:55c van de Awb alsnog. De rechtbank stelt vast dat de ingebrekestelling de dagtekening 28 november 2019 heeft en op 3 december 2019 bij de heffingsambtenaar is ontvangen. De rechtbank constateert dat sinds twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling meer dan 42 dagen zijn verstreken, en dat de heffingsambtenaar nog steeds niet op het bezwaarschrift heeft beslist. De rechtbank oordeelt dan ook dat de heffingsambtenaar inmiddels het maximale bedrag van € 1.442,- aan dwangsommen heeft verbeurd.

5. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb bepaalt de rechtbank als het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt.

Gezien de maatregelen die op dit moment in Nederland gelden om verspreiding van het corona-virus COVID-19 te voorkomen, is er nu naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bijzondere situatie als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid van de Awb. De rechtbank zal daarom bepalen dat de heffingsambtenaar binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit moet nemen en verzenden.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met het landelijke beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat Rijkswaterstaat een dwangsom van € 100,- verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.