IT 3766

Verzoek tot verwijdering BKR-registratie afgewezen

Rechtbank Noord-Holland 15 december 2021, IT 3766; ECLI:NL:RBDHA:2021:13450 (Verzoeker tegen Defam) Verzoeker vraagt om verwijdering van zijn BKR-registratie door kredietaanbieder Defam. Hij stelt dat zijn belangen zwaarder wegen dan de belangen van de BKR-registratie en doet een beroep op artikel 21 lid 1 AVG. Volgens Defam heeft een BKR-registratie als doel de maatschappelijk verantwoorde financiële dienstverlening te bevorderen. Het BKR verschaft kredietverstrekkers inzicht in de betaalhistorie van de consument waardoor kredietverleners de financiële positie van de consument kunnen inschatten, ter voorkoming van overkreditering. Hierbij heeft Defam aangevoerd dat zonder een compleet en onderbouwd inzicht in de financiële positie van verzoeker, niet goed kan worden beoordeeld of de financiële situatie van verzoeker op orde is. Dit is van belang aangezien verzoeker in het verleden problematisch betaalgedrag vertoonde. De rechtbank is het eens met Defam en stelt dat de belangen van Defam bij handhaving van de BKR-registratie zwaarder wegen dan de belangen van verzoeker. Het verwijderingsverzoek wordt daarom afgewezen.

4.10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Defam terecht aangevoerd dat zonder een voldoende compleet en onderbouwd inzicht in de financiële positie van [verzoeker] evenmin goed kan worden beoordeeld of de financiële situatie van [verzoeker] duurzaam op orde is. Dat is wel van belang, aangezien uit de hiervoor onder vaststaande feiten (2.2 - 2.10) weergegeven betaalhistorie van [verzoeker] met betrekking tot het krediet bij Defam volgt dat in het verleden bij [verzoeker] sprake is geweest van een lange periode van problematisch betaalgedrag, waarbij [verzoeker] [..] behoorlijk lichtvaardig een krediet voor een ander heeft afgesloten, waarop vervolgens herhaaldelijk betalingsachterstanden zijn ontstaan, terwijl [verzoeker] op momenten ook niet bereikbaar is geweest voor (de deurwaarder van) Defam en Defam uiteindelijk het volledige krediet bij de kantonrechter heeft moeten opeisen. Ook tijdens de laatste aflossingsregeling heeft [verzoeker] nog een aantal keer te laat een aflossingstermijn betaald. [..]  Daarbij weegt, als gezegd, ook mee dat [verzoeker] geen inzicht heeft gegeven in zijn volledige financiële situatie, zodat niet goed valt te toetsen of en zo ja, vanaf wanneer [verzoeker] volledig schuldenvrij is.