IT 3141

Verzoek verwijdering registraties IR en EVR afgewezen

Hof Arnhem-Leeuwarden 28 april 2020, IT 3141; ECLI:NL:GHARL:2020:3464 (Vervalsing fiscaal overzicht) ABN AMRO heeft appellante eind 2016 een hypothecaire lening verstrekt voor de aankoop en verbouwing van een woning. Op 21 december 2018 heeft ABN AMRO appellante opgenomen in het Incidenten Register (hierna: IR) en het Externe Verwijzigingsregister (hierna: EVR) voor de maximale duur van 8 jaar. ABN AMRO heeft vervolgens de bancaire relatie met appellante opgezegd, de hypothecaire lening opgeëist en de executoriale verkoop van de woning in gang gezet. ABN AMRO is hiertoe overgegaan omdat haar is gebleken dat bij de hypotheekaanvraag vanaf het e-mailadres van appellante een vervalst fiscaal overzicht van de bankrekening van appellante bij Lloyds Bank is verstrekt. Appellante  heeft erkend dat het fiscaal overzicht is vervalst, maar heeft betwist dat zij het overzicht heeft vervalst en dat dit door haar aan ABN AMRO per e-mail is verzonden.

Appelante heeft de rechtbank verzocht om ABN AMRO te bevelen binnen twee werkdagen na de beschikking de persoonsgegevens van appellante te verwijderen uit het IR en EVR, subsidiair de duur van de registraties te beperken tot één jaar, dan wel een door de rechter te bepalen periode, met bevestiging door ABN AMRO van deze verwijdering dan wel beperking van duur aan appellante en aan derden aan wie mededelingen over de registraties zijn gedaan, op straffe van een dwangsom. Daarnaast heeft appellante verzocht ABN AMRO te veroordelen in de proceskosten.

De rechtbank heeft overwogen dat moet worden aangenomen dat appellante een vervalst overzicht heeft opgestuurd aan ABN AMRO en geoordeeld dat sprake is van een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld dat appellante  gebruik heeft gemaakt van een vervalst geschrift, een als strafbaar feit te kwalificeren gedraging. De rechtbank heeft vervolgens het primaire verzoek afgewezen, omdat  de belangen van appellante bij de verwijdering van haar persoonsgegevens niet zwaarder wegen dan de gerechtvaardigde belangen van ABN AMRO bij handhaving daarvan. Ook het subsidiaire verzoek is afgewezen, omdat volgens de rechtbank de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG) noch de Uitvoeringswet AVG grondslag biedt voor de beperking in duur van de registratie.

Er wordt geoordeeld dat het hoger beroep weliswaar slaagt op het punt dat ook de beperking in duur van de registratie op grond van de AVG verzocht kan worden, maar de beoordeling van het verzoek op dit punt leidt niet tot een ander oordeel. De bestreden beschikking zal dan ook worden bekrachtigd, omdat de opname en handhaving van de registraties in overeenstemming met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit is.

4.6 Het hof wijst het primaire verzoek tot verwijdering van de persoonsgegevens van [appellante] in het IR en EVR af en neemt het oordeel van de rechtbank op dit punt over. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat vast is komen te staan dat [appellante] een vervalst fiscaal overzicht aan ABN AMRO heeft verstrekt. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [appellante] (wederom) erkend dat het fiscaal overzicht van haar bankrekening bij Lloyds Bank, dat in het kader van haar hypotheekaanvraag aan ABN AMRO is verstrekt, is vervalst. [appellante] heeft weliswaar weersproken dat zij het vervalste overzicht heeft opgemaakt en dat zij dit overzicht zelf vanaf haar e-mailadres aan ABN AMRO heeft verzonden, maar ook in hoger beroep heeft [appellante] nagelaten deze stellingen nader te onderbouwen. [appellante] heeft ABN AMRO laten geloven dat zij over € 110.000,- meer aan eigen middelen beschikte dan feitelijk het geval was, dit kennelijk om in aanmerking te komen voor de aangevraagde hypothecaire lening. Deze gedraging leidt zonder meer tot benadeling en bedreiging van de belangen van de financiële sector en levert een zwaarwegend belang op aan de zijde van ABN AMRO om [appellante] in het IR en EVR te registeren. [appellante] heeft aangevoerd dat haar belangen bij verwijdering van de registraties zwaarder dienen te wegen, mede omdat de registraties haar in de uitoefening van haar beroep als accountant in de weg staan. [appellante] stelt dat zij voornamelijk werkzaam is bij financiële instellingen en dat deze instellingen bij het raadplegen van de systemen de melding van haar in het IR en EVR tegenkomen. Het incident is echter zo ernstig, juist voor iemand die accountant is, dat de registraties zijn gerechtvaardigd en dat dit dus ook de nadelige gevolgen rechtvaardigt die [appellante] kan ondervinden in haar werk als accountant. [appellante] heeft daarnaast aangevoerd dat zij geen nieuwe financiering zal verkrijgen zolang de registraties worden gehandhaafd. Ook deze omstandigheid leidt niet tot een ander oordeel. Verder is niet gebleken dat [appellante] in woningnood verkeert, aangezien [appellante] op dit moment woont in een (andere) woning die zij in eigendom heeft. Voorts ligt het in de lijn der verwachting dat [appellante] op korte termijn door de gemeente verder geholpen kan worden met het openen van een basisrekening, zodat de registraties op dit punt evenmin een belemmering vormen voor [appellante] om te kunnen deelnemen aan het financiële verkeer. De door [appellante] aangevoerde belangen en omstandigheden zijn, afzonderlijk maar ook in onderlinge samenhang bezien, voor het hof onvoldoende om tot een andere afweging te komen dan de rechtbank. Aangezien [appellante] haar stellingen omtrent het vervalste fiscaal overzicht, zoals hiervoor geoordeeld, onvoldoende heeft onderbouwd, komt het hof niet toe aan bewijslevering. Het hof acht de opname en handhaving van de registraties in overeenstemming met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Gelet op het voorgaande weegt het belang van ABN AMRO bij handhaving van de registraties zwaarder dan de belangen van [appellante] bij de verwijdering daarvan.

4.7 Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de AVG en de Uitvoeringwet wel een grondslag bieden voor een bevel tot beperking van de duur van de registratie. De mogelijkheid daarvan ligt besloten in de verdergaande bevoegdheid van de rechter te bevelen de verwerking van persoonsgegevens te staken. In de belangenafweging om de gegevens te verwijderen ligt immers eveneens de afweging besloten om de duur van de registratie te beperken en dus de verwijdering te laten plaatsvinden, niet per direct maar wel op een eerder moment dan waarop dit volgens het protocol uiterlijk zou moeten gebeuren. Het hof dient ook in dit kader een afweging te maken van de door beide partijen aangevoerde belangen en te beoordelen of aan het proportionaliteitsbeginsel is voldaan. Onder verwijzing naar hetgeen onder 4.6 over die belangen is overwogen, acht het hof de uiterlijke duur van de registraties van 8 jaar vanwege de ernst van het incident thans niet disproportioneel. Ook het subsidiaire verzoek van [appellante] zal worden afgewezen.