IT 2727

Videobeelden stelende werknemer toegelaten als bewijsmateriaal: waarheidsvinding prevaleert boven privacy

Ktr. Rechtbank Limburg 11 maart 2019, IT 2727; ECLI:NL:RBLIM:2019:2130 (X tegen Inashco) Onverwijlde opzegging arbeidsovereenkomst wegens verdenking van verduistering van zware metalen zoals goud. Camerabeelden toegelaten ondanks verzet daartegen door werknemer omdat belang van waarheidsvinding in casu prevaleert boven het recht op privacy. Uitleg van werkgever van wat er op de camerabeelden te zien is, namelijk dat werknemer bedrijfseigendommen verduistert, is onvoldoende weersproken door werknemer. Verzochte vernietiging van de onverwijlde opzegging afgewezen.

4.1. [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] heeft zich ertegen verzet dat de onder 2.9. bedoelde videobeelden onderdeel zouden uitmaken van het dossier omdat het opnemen van die beelden een onrechtmatige schending van de privacy is, nu ze zonder zijn toestemming werden gemaakt en over het plaatsen van de camera niet is overlegd met de OR. Het zonder toestemming maken van video-opnamen van een persoon is weliswaar op zichzelf aan te merken als onrechtmatig, maar het belang van de waarheidsvinding prevaleert in dit geval. De verdenking is een ernstige (ontvreemding van bedrijfseigendommen), het bedrijfsbelang voor Inashco bij het vinden van de dader(s) is ontegenzeggelijk groot, en [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] is volgens Inashco slechts op één specifieke plek met één specifiek doel gefilmd en niet langer dan volgens Inashco noodzakelijk, zodat aan het proportionaliteitsvereiste is voldaan. Daar komt bij dat een paar maanden eerder het personeel uitdrukkelijk is gewaarschuwd tegen het ontvreemden van bedrijfsspullen, waarbij het gevolg van overtreding van dit verbod in het vooruitzicht is gesteld (zie 2.5). 
Bij incidentele beslissing heeft de kantonrechter daarom ter zitting het verzoek van Inashco om het beeldmateriaal waarover zij beschikt en waarop zij de opzegging (mede) heeft gebaseerd ter zitting te bekijken toegewezen, en beslist dat eventueel bewijs van de dringende reden mede aan die beelden en hetgeen partijen daarover ter zitting verklaren kan worden ontleend. Uit de vervolgens gezamenlijk bekeken beelden blijkt in elk geval dat [verzoeker, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek] inderdaad slechts vanuit één camera-standpunt en voor de beperkte periodes als genoemd onder 2.9. is gefilmd, en dat op zijn door art. 8 EVRM beschermde recht op privacy geen verdere inbreuk is gemaakt dan de voor vergaring van bewijs door Inashco minimaal noodzakelijke inbreuk.