IT 3925

Volkskrant mag beschuldigingen niet publiceren

Vzr. Rb. Amsterdam 29 april 2022, IEF 20702; IT 3925; ECLI:NL:RBAMS:2022:2344 (Eiser tegen Volkskrant) Een extern onafhankelijk onderzoek naar beschuldigingen van een prominente D66'er werd uitgevoerd door het onderzoeksbureau Bing. Terwijl een eerder verschenen openbare publicatie van dit onderzoek geen conclusies nam inzake 'situaties van seksuele intimidatie of machtsmisbruik', bleek dit volgens de Volkskrant anders te zijn in een vertrouwelijk deel van het onderzoek. In dit vertrouwelijke deel zouden de conclusies kunnen worden getrokken die in contrast staan met de eerder genomen gepubliceerde onderzoek. De voorzieningenrechter verwerpt dit verweer en concludeert, dat in het licht van het feitencomplex, de aantijgingen van de Volkskrant onvoldoende steunen vinden. Het belang om niet te worden blootgesteld aan die aantijgingen weegt volgens de voorzieningenrechter dan ook zwaarder dan het publiceren van deze beweringen.

4.7. De bewering dat Bing tot een ‘diametraal andere conclusie’ is gekomen in de vertrouwelijke bijlage is niet aannemelijk geworden. In het onderzoeksrapport van 24 februari 2022 staat met betrekking tot de vertrouwelijke bijlage onder meer het volgende.
“In het onderzoek is informatie betrokken en geanalyseerd die tot personen herleidbaar is en daarmee privacygevoelige informatie over betrokkenen bevat. In overleg met de opdrachtgever hebben wij daarom besloten onze bevindingen ten aanzien van onderzoeksonderdeel 1 [het gedeelte van het onderzoek dat zich op [eiser] richt, vzr] in een vertrouwelijke bijlage op te nemen (…) en de uitkomst in de rapportage zelf te beperken een beknopte conclusie”

Uit het voorgaande blijkt dat Bing bepaalde informatie die zij bij haar analyse heeft betrokken, heeft opgenomen in de vertrouwelijke bijlage omdat de informatie privacygevoelig is. Dat deze informatie de conclusie van de analyse van Bing onderuit haalt, blijkt nergens uit. Dit strookt ook met wat Bing hierover zelf heeft geschreven in de overgelegde e-mail van 15 april 2022 (zie 2.8): “De bevindingen en conclusies in de vertrouwelijke bijlage zijn in lijn met de conclusies in het openbare rapport”.

4.9. Het komt er dus op neer dat niet Bing (een onafhankelijk onderzoeksbureau met experts in integriteit en omgangsvormen) tot een andere conclusie is gekomen dan die geformuleerd in het rapport van 24 februari 2022, maar de Volkskrant zelf. Daarbij heeft de Volkskrant zich gebaseerd op de anonieme blogpost op website write.as (zie 2.2) en op de informatie in de vertrouwelijke bijlage. De Volkskrant stelt te beschikken over die vertrouwelijke bijlage, maar heeft deze in dit kort geding niet overgelegd in verband met – zoals zij heeft aangevoerd – bronbescherming. Wel heeft de advocaat van de Volkskrant ter zitting een aantal passages opgenomen in zijn pleitaantekeningen, waarvan hij stelt dat deze afkomstig zijn uit de vertrouwelijke bijlage

4.13. De Volkskrant heeft, zoals reeds onder 4.2 overwogen, als public watchdog een zwaarwegend belang om zich, in het huidige maatschappelijke debat over misstanden als bijvoorbeeld seksuele intimidatie en machtsmisbruik, kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend uit te laten. In dit geval wordt aan dit belang – ten aanzien van de bestreden beweringen in de concept-publicatie – minder gewicht toegekend, omdat deze geen steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal. Aannemelijk is immers dat de conclusie in de vertrouwelijke bijlage in lijn is met de conclusie in het openbare rapport en dat er dus geen sprake is geweest van seksuele intimidatie dan wel machtsmisbruik. Het belang van [eiser] om niet te worden blootgesteld aan die beweringen weegt daarom zwaarder dan het belang van de Volkskrant om deze beweringen (expliciet dan wel impliciet) op te nemen in haar publicatie, ook al is aannemelijk dat sprake is geweest van grensoverschrijdend gedrag in de privésfeer, na afloop van een gelijkwaardige intieme relatie. Gelet op de maatschappelijke explosiviteit van het huidige MeToo-debat is het van groot belang duidelijk onderscheid te maken tussen deze situaties. Mede gelet op de te verwachten schade aan de reputatie van [eiser] is voorshands aannemelijk dat publicatie van deze beweringen als een onrechtmatige daad kan worden aangemerkt. Er is daarom voldoende grond voor toewijzing van het gevorderde onder punt I van het petitum, zoals hierna bepaald. Het gevorderde verbod op het publiceren van “beschuldigingen in het lichaam van de dagvaarding vermeld” zal niet worden toegewezen. Dit gedeelte van de vordering is onvoldoende bepaald.