IT 3509

Voorbehoud van ondertekening voorkomt toewijzing vordering tot nakoming

Gerecht Sint Maarten 7 mei 2021, IT 3509; ECLI:NL:OGEAM:2021:49 (Eiseressen tegen Sint Maarten) Eiseressen zouden een ICT systeem realiseren in het kader van het belastingtransformatieplan van Sint Maarten. Nadat het kabinet is gevallen wordt de opdracht niet nagekomen. De rechter heeft bepaald dat er nog geen sprake was van een bindende overeenkomst nu er nog niet door de minister van Financiën was getekend. Het Gerecht constateert dat er een voorbehoud van ondertekening is gemaakt en dat ook het beroep op een belangafweging niet slaagt. De vordering van eiseressen tot nakoming van de overeenkomst wordt op grond hiervan afgewezen. 

4.12. De ministerraad, het bestuur van het Land, heeft tot het aangaan van deze omvangrijke financiële verplichtingen beslist. Ook heeft de ministerraad de minister van Financiën belast met de uitvoering van het gehele project, waaronder de uitvoering van de opdracht aan [eiseres 2]. Uit de artikelen 20 en 21 van de Rijkswet is niet af te leiden -evenmin uit de toelichting op dit voorschrift-, dat de ministerraad de privaatrechtelijke rechtshandeling zelf namens het Land dient aan te gaan. Dat zou ook een volstrekt onwerkbare situatie creëren zonder enig toegevoegde waarde. De ministerraad heeft zulks ondervangen door de minister van Financiën van het Land te belasten met de uitvoering van de belastingtransformatie waaronder het sluiten van de ICT-overeenkomsten. Het aan deze minister verleende mandaat en de aan hem verleende volmacht zijn naar het voorlopig oordeel van het Gerecht volledig geldig.

4.17. Niet is aangevoerd dat het ondertekeningsvoorbehoud na de besluitvorming op 10 april 2019 haar werking heeft verloren, zodat het Gerecht van de gelding van dit ondertekeningsvoorbehoud uitgaat. Uit HR 26 september 2003, NJ 2004/460 (Regiopolitie/Hovax) zou kunnen worden afgeleid dat hoewel de ICT-overeenkomsten niet zijn ondertekend het Land desondanks aan de ICT-overeenkomsten is gebonden. Naar het voorlopige oordeel van het Gerecht is dat niet het geval omdat (i) in het aangehaalde arrest het voorbehoud van ondertekening niet was bedongen en blijkens het ‘Request for Proposal’ dit voorbehoud wel is gemaakt en (ii) het beroep op de bepaling van artikel 6:23 BW niet opgaat. Immers, het voorbehoud dat de opdracht door de ‘Client’, (de belastingdienst van) het Land, moet zijn ondertekend, kan niet als een voorwaarde in de zin van artikel 6:21 BW worden beschouwd. Eerst na ondertekening van de ICT-overeenkomsten door de minister van Financiën kan definitieve binding van het Land aan de ICT-overeenkomsten worden aangenomen. Eerst na ondertekening van de ICT-overeenkomsten kan [eiseres 2] dus van het Land nakoming vorderen. Ondertekening door de minister van Financiën is echter na de kabinetswisseling in november 2019 uitgebleven. Op deze grond kan de vordering tot nakoming dan ook niet worden toegewezen.