IT 3653

Vrijspraak computervredebreuk in hoger beroep

Hof Amsterdam 22 januari 2021, IT 3653; ECLI:NL:GHAMS:2021:103 Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de politierechter in een strafzaak betreffende computervredebreuk. Hem is ten laste gelegd dat hij opzettelijk en wederrechtelijk in een computer en/of iPad is binnengedrongen met behulp van valse signalen of een valse sleutel. De raadsvrouw van de verdachte stelt zich in dit hoger beroep op het standpunt dat het inloggen wel heeft plaatsgevonden vanaf het IP-adres dat in zijn woning in gebruik is, maar dat dit nog niet wil zeggen dat hij ook degene is geweest die daadwerkelijk heeft ingelogd. Immers hebben ook alle vrienden van verdachte het wifi-wachtwoord van het woonadres. Het hof ziet nog meer contra-indicaties. Bij enkele andere pogingen om in te loggen is er ook gebruik gemaakt van een geheel ander, onherleidbaar IP-adres. Bovendien is er ingelogd vanaf een ASUS telefoon, die niet bij de verdachte is gevonden. Dit alles maakt dat het hof niet met de vereiste mate van zekerheid kan vaststellen dat de verdachte degene was die zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde computervredebreuk. 

Er zijn echter ook contra-indicaties. Zo is ook vast komen te staan dat bij enkele pogingen om in te loggen op een account van aangeefster [benadeelde] gebruik is gemaakt van IP-adressen die niet tot de verdachte zijn te herleiden, waaronder een IP-adres dat gekoppeld kan worden aan een geheel andere, niet met de verdachte in verband te brengen plaats (Medemblik). Voorts is er een keer op de accounts van aangeefster [benadeelde] ingelogd vanaf een ‘ASUS Zenfone’. De verdachte heeft betwist ooit een telefoon van dat merk in zijn bezit te hebben gehad, terwijl de moeder van de verdachte als getuige bij de raadsheer-commissarisheeft verklaard dat zij de verdachte nooit met een telefoon van dat merk heeft gezien en een dergelijke telefoon bij de doorzoeking van de woning van de verdachte evenmin is aangetroffen. Daarnaast heeft de moeder van de verdachte ten overstaan van de raadsheer-commissaris verklaard omtrent zeven – bij naam genoemde – vrienden van de verdachte die allemaal in [plaats] woonden en in de tenlastegelegde periode bij de verdachte thuis over de vloer kwamen. Deze vrienden beschikten allemaal over hun eigen telefoon en het wifi-wachtwoord van het woonadres en hebben, op twee na, allemaal bij de aangeefster [benadeelde] in de klas gezeten. Tot slot heeft de verdachte verklaard dat een vriend die [studie] studeerde hem wilde laten zien hoe gemakkelijk hacken is en hem daartoe op de computer websites laten zien, maar ook niet meer dan dat heeft gedaan. Deze verklaring kan op grond van het voorliggende dossier niet als onaannemelijk terzijde worden geschoven.