Gepubliceerd op donderdag 13 augustus 2026
IT 5434
Rechtbank Limburg ||
14 jul 2026,
Rechtbank Limburg 14 jul 2026,, IT 5434; ECLI:NL:RBLIM:2026:6960 ([eiseres] tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/werkelijke-advocaatkosten-toegewezen-na-overdracht-domeinnaam-tijdens-kort-geding

Werkelijke advocaatkosten toegewezen na overdracht domeinnaam tijdens kort geding

Rb. Limburg 14 juli 2026, IEF 23747; IT 5434; ECLI:NL:RBLIM:2026:6960 ([eiseres] tegen [gedaagde]). In deze zaak oordeelt de voorzieningenrechter over de proceskosten nadat [eiseres] haar oorspronkelijke inhoudelijke vorderingen heeft ingetrokken. [gedaagde] is de voormalige partner van [eiseres] en heeft in het verleden werkzaamheden verricht ten behoeve van de onderneming van [eiseres], waaronder het bouwen en beheren van haar website. [gedaagde] heeft op enig moment de feitelijke controle over de domeinnaam, website, hostingomgeving en zakelijke e-mailomgeving van [eiseres] naar zich toe getrokken, [eiseres] de toegang daartoe ontzegd en vervolgens haar website offline gehaald. [eiseres] vordert oorspronkelijk, naast vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten, onder meer dat [gedaagde] wordt bevolen de controle over en toegang tot de domeinnaam, website, hostingomgeving en zakelijke e-mailomgeving aan haar terug te geven en de daarvoor noodzakelijke medewerking te verlenen, op straffe van een dwangsom. Nadat de procedure aanhangig is gemaakt, herstelt [gedaagde] op 28 juni 2026 de toegang tot de zakelijke mailbox en zet hij de website weer online. Op 29 juni 2026 draagt hij ook de domeinnaam aan [eiseres] over. [eiseres] trekt daarop haar inhoudelijke vorderingen in, zodat uitsluitend haar vordering tot vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten resteert. [gedaagde] verschijnt niet in de procedure.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat het geschil als een intellectuele-eigendomszaak moet worden aangemerkt, omdat de domeinnaam onlosmakelijk is verbonden met de handelsnaam en de bedrijfsvoering van [eiseres], zodat artikel 1019h Rv van toepassing is op de proceskostenveroordeling. De voorzieningenrechter kwalificeert de zaak als een eenvoudig IE-kort geding vanwege het beperkte en onbetwiste feitencomplex en sluit voor de advocaatkosten aan bij het daarvoor geldende indicatietarief van maximaal € 7.200. De door [eiseres] gevorderde advocaatkosten van € 2.722,50 blijven ruimschoots binnen dit maximum en zijn met een factuur en urenspecificatie voldoende onderbouwd. Deze kosten worden daarom volledig toegewezen. De daarnaast opgevoerde aanvullende kosten, waaronder kosten voor reistijd en het opstellen van een pleitnota, worden niet toegewezen omdat deze onvoldoende zijn gespecificeerd en, mede gelet op het verstek van [gedaagde] en de korte duur van de mondelinge behandeling, onvoldoende zijn onderbouwd. [gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten van [eiseres] tot een totaalbedrag van € 3.405,52, bestaande uit de toegewezen advocaatkosten van € 2.722,50, vermeerderd met de dagvaardingskosten en het griffierecht. Dit bedrag moet binnen veertien dagen na aanschrijving worden voldaan en wordt bij niet-tijdige betaling vermeerderd met de wettelijke rente.

4.6. Nu sprake is van een eenvoudige IE-zaak, geldt een indicatietarief van maximaal € 7.200. [de eisende partij] heeft, onder overlegging van de factuur en urenspecificatie (prod. 17 bij dagvaarding), gesteld dat de door haar advocaat verrichte werkzaamheden een bedrag van € 2.722,50 belopen. De voorzieningenrechter acht deze kosten voldoende onderbouwd en redelijk, mede nu zij ruimschoots binnen het voor eenvoudige IE-zaken geldende indicatietarief blijven. De voorzieningenrechter zal dit bedrag daarom toewijzen. Voor zover [de eisende partij] heeft aangevoerd dat daarnaast nog rekening dient te worden gehouden met aanvullende werkzaamheden, zoals het voor- en nabespreken van de mondelinge behandeling, het opstellen van een pleitnota dan wel spreekaantekeningen, de reistijd van de advocaat en de duur van de mondelinge behandeling, wordt de vordering afgewezen. [de eisende partij] heeft deze aanvullende kosten niet nader gespecificeerd of begroot. Bovendien is [de gedaagde partij] niet ter zitting verschenen, waardoor de mondelinge behandeling slechts van beperkte duur is geweest, en is geen pleitnota of zijn geen spreekaantekeningen opgesteld. Onder deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de advocaatkosten op een hoger bedrag te begroten. De voorzieningenrechter zal derhalve een bedrag van € 2.722,50 aan advocaatkosten toewijzen.