IT 2677

Zoekresultaten Google plagiaat bekend schrijver niet onrechtmatig: belang mogelijke werkgevers prevaleert

Rechtbank Midden-Nederland 14 november 2018, IT 2677; ECLI:NL:RBMNE:2018:5594 (Verzoeker tegen Google) Privacy. Bij het opgeven van de naam van verzoeker, bekend schrijver, als zoekterm in Google Search worden verschillende zoekresultaten weergegeven. Advocaat van verzoeker heeft Google verzocht een tiental URL's te verwijderen. Dit verzoek heeft Google afgewezen. Verzoeker voert aan dat hij achtervolgd wordt door een conflict dat hij vanaf 1996 met A heeft: A heeft verzoeker in een van zijn boeken beschuldigd van vervalsen van academische titels. Verzoeker stelt dat hij door negatieve uitlatingen geen baan vinden in zijn branche, de gegevensverwerking op Google langer duurt dan noodzakelijk is, en dat zijn reputatiebelang prevaleert boven het recht van Google. Google stelt dat de zoekresultaten niet onjuist, irrelevant of bovenmatig zijn voor het doeleind van Google: het aanbieden van een zoekmachine. De inhoud van de bronpagina's hebben geen betrekking op de het privéleven van verzoeker, maar op zijn professionele optreden. In een civiele procedure is voldoende aannemelijk geacht dat verzoeker de academische titels niet toekwam. Verzoeker wil als docent aan de slag en het publiek heeft er belang bij om berichtgeving te kunnen vinden over het plagiaat, om een eigen afweging te kunnen maken. De afwijzende reacties op de sollicitaties illustreren ook het belang van (mogelijke) werk- en opdrachtgevers in de branche. Het belang van Google en van internetgebruikers prevaleert boven het belang van verzoeker. 

4.16. Uit hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd begrijpt de rechtbank dat hij meent dat alle berichtgeving omtrent de beschuldigingen van [A] aan zijn adres verwijderd dienen te worden, omdat hij wél over de betreffende academische titels beschikt. In de civiele procedure tussen [verzoeker] en [A] heeft het Hof Den Bosch in 2013 echter voldoende aannemelijk geacht dat [verzoeker] academische titels had gevoerd die hem niet toekwamen. [verzoeker] heeft daartegenover gesteld dat het Hof geen acht heeft kunnen slaan op zijn diploma’s omdat de griffier de betreffende stukken niet aan de rechters ter beschikking heeft gesteld. Wat ook van deze ongemotiveerde stelling zij, [verzoeker] kan deze procedure niet gebruiken om de juistheid van de beslissing van het Hof alsnog te bestrijden. Bovendien heeft Google in deze procedure de authenticiteit van de overgelegde diploma’s, brieven waarmee diverse instanties de diploma’s van [verzoeker] zouden hebben gewaardeerd of andere bescheiden waaruit blijkt dat [verzoeker] met een proefschrift bezig is (geweest), voldoende gemotiveerd betwist. Tegenover die betwisting heeft [verzoeker] zijn stelling vervolgens onvoldoende nader toegelicht of onderbouwd, zodat de juistheid van de stelling van [verzoeker] niet is komen vast te staan. De inhoud van de bestreden zoekresultaten zijn, gelet op het debat tussen partijen in deze procedure, dus niet evident onjuist en dus relevant voor het publiek en nog steeds actueel.

4.17. Verder is van belang dat [verzoeker] een – niet onbekend – schrijver is, waardoor hij als een publiek persoon wordt beschouwd. Dit wordt door hemzelf ook niet weersproken. Uit de door [verzoeker] overgelegde correspondentie blijkt dat hij nog steeds als schrijver wenst verder te gaan. Hij heeft uitgeverijen benaderd om zijn werken te publiceren, die zijn verzoek vervolgens hebben afgewezen (mede) door hetgeen zij via Google Search over [verzoeker] te weten zijn gekomen. Daarnaast volgt uit de overgelegde correspondentie dat [verzoeker] ook als docent aan de slag wil. Hij heeft diverse malen gesolliciteerd naar een functie als docent en heeft zich in 2016 voor de masteropleiding leraar VHO in maatschappijleer aangemeld. Gelet op de professie van [verzoeker] en zijn wens om ook als docent aan de slag te gaan, zijn de beschuldigingen over plagiaat en het ten onrechte voeren van academische titels dan ook een onderwerp van maatschappelijk debat. Het publiek heeft er belang bij om (journalistieke) berichtgeving, uit verschillende bronnen hieromtrent, te kunnen vinden en daarmee een eigen afweging te kunnen maken. De omstandigheid dat [verzoeker] door de berichtgeving mogelijk niet aan de slag kan als schrijver en/of docent leidt dus niet tot een andere uitkomst. De afwijzende reacties op de sollicitaties van [verzoeker] illustreren ook het belang dat (mogelijke) werk- en opdrachtgevers in de branche waarin [verzoeker] werk zoekt hechten aan het, via zoekresultaten, vinden van publicaties over zijn persoon.