Gepubliceerd op dinsdag 2 juni 2026
IT 5294
Hoge Raad ||
29 jun 2026
Hoge Raad 29 jun 2026, IT 5294; ECLI:NL:PHR:2026:541 (Vattenfall tegen [consument-afnemer]), https://www.itenrecht.nl/artikelen/a-g-oordeel-over-oneerlijkheid-prijswijzigingsbeding-vattenfall-berust-op-te-beperkte-toetsing

A-G: oordeel over oneerlijkheid prijswijzigingsbeding Vattenfall berust op te beperkte toetsing

Parket bij de Hoge Raad 29 mei 2026, IT&R 5294; ECLI:NL:PHR:2026:541(Vattenfall tegen [consument-afnemer]). A-G Valk concludeert in een cassatiezaak tussen Vattenfall en een consument over een prijswijzigingsbeding in een energieleveringsovereenkomst met variabel tarief. De kantonrechter en het hof Amsterdam hadden geoordeeld dat het prijswijzigingsbeding uit de Algemene Voorwaarden 2017 van Vattenfall oneerlijk is in de zin van Richtlijn 93/13, het beding vernietigd, Vattenfall verboden de tarieven per 1 april 2022 te verhogen en daarnaast voor recht verklaard dat Vattenfall zich schuldig had gemaakt aan een oneerlijke handelspraktijk door op haar website te vermelden dat variabele tarieven twee keer per jaar wijzigen. De A-G benadrukt dat de zaak een grote maatschappelijke uitstraling heeft, omdat het betrokken beding is ontleend aan de algemene voorwaarden van Energie-Nederland en vergelijkbare bedingen breed in de energiesector zijn gebruikt. Als de lijn van rechtbank en hof juist zou zijn, kan dat verstrekkende gevolgen hebben voor lopende en eerdere variabele energiecontracten, onder meer doordat tariefverhogingen mogelijk als onverschuldigd betaald zouden moeten worden teruggedraaid. De omvang van die gevolgen verandert volgens de A-G echter niets aan de toepasselijke regels van het consumentenrecht: als een beding oneerlijk is, moet de gebruiker daarvan de gevolgen dragen.

Volgens de A-G kan het arrest van het hof niet in stand blijven, omdat het hof de oneerlijkheidstoets te beperkt heeft uitgevoerd. Het hof heeft te sterk aangesloten bij rechtspraak van het Hof van Justitie over kredietovereenkomsten in vreemde valuta, terwijl energieleveringsovereenkomsten met variabele tarieven daarvan wezenlijk verschillen. Bij de beoordeling van de transparantie en oneerlijkheid had het hof alle relevante omstandigheden rond de overeenkomst moeten betrekken, waaronder de aard van een variabel energiecontract, de keuze voor consumenten tussen vaste en variabele tarieven, het voor een gemiddelde consument kenbare risico van prijsstijging én de mogelijkheid van prijsdaling, de mate van concurrentie op de Nederlandse energiemarkt, het toezicht van de ACM op redelijke tarieven en de context waarin de algemene voorwaarden tot stand zijn gekomen. De A-G bespreekt daarnaast, mede met het oog op vergelijkbare zaken, onder meer de mogelijke betekenis van kernbedingen, uitleg contra proferentem, afzonderlijke toetsing van samenhangende bedingen, tweezijdige algemene voorwaarden, de blauwe lijst en het herzieningsverbod. Ook het oordeel dat sprake was van een oneerlijke handelspraktijk is volgens de A-G onvoldoende gemotiveerd: het enkele feit dat Vattenfall in 2022 naast de reguliere halfjaarlijkse tariefwijzigingen een extra wijziging doorvoerde, is op zichzelf te mager om de mededeling over twee tariefwijzigingen per jaar als misleidende handelspraktijk aan te merken; ook moet worden beoordeeld of de mededeling de gemiddelde consument ertoe kon brengen een besluit over de overeenkomst te nemen dat hij anders niet had genomen. De A-G acht prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie niet nodig en concludeert tot vernietiging van het arrest van het hof en verwijzing van de zaak.

5.49

Het lijkt me goed dat ik ook met betrekking tot de kwestie of er een verplichting bestaat voor uw Raad om prejudiciële vragen te stellen, als Advocaat-Generaal voorop ga. Mijn bevindingen zijn als volgt:

 Ten aanzien van onderdeel 1 ontbreekt de noodzaak om prejudiciële vragen te stellen. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie is voldoende duidelijk dat bij de oneerlijkheidstoets betekenis toekomt aan alle omstandigheden ten tijde van de contractsluiting en dat hieronder ook bijvoorbeeld het toezicht van de ACM valt.

 Ook met betrekking tot onderdeel 2 bestaat er mijns inziens geen noodzaak om prejudiciële vragen te stellen, althans als uw Raad mijn analyse van het arrest RWE Vertrieb (hiervoor ‎5.29) deelt.

 Met betrekking tot onderdeel 3 merk ik op dat de enkele omstandigheid dat het hof in deze zaak meende te kunnen aansluiten bij rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU aangaande kredietovereenkomsten in vreemde valuta nog niet betekent dat nog niet opgehelderde vragen van EU-recht aan de orde zijn. Mijns inziens is onmiskenbaar dat energieleveringsovereenkomsten met variabele tarieven niet vergelijkbaar zijn met kredietovereenkomsten in vreemde valuta. Ook de verhouding tussen het transparantievereiste en de oneerlijkheidstoets is in de rechtspraak van het Hof van Justitie reeds opgehelderd.

 Bij onderdeel 4 bestaat de noodzaak om prejudiciële vragen te stellen evenmin. De rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU met betrekking tot een normaal geïnformeerde, redelijk omzichtige en oplettende consument is duidelijk. De cassatieklachten betreffen uitsluitend de toepassing van die maatstaf in de concrete omstandigheden van het geval.

 Onderdeel 5 wordt niet inhoudelijk behandeld. Dat ook met betrekking tot onderdeel geen noodzaak bestaat om prejudiciële vragen te stellen, behoeft geen toelichting.