Wet- en regelgeving  

IT 5539

Voorzieningenrechter Midden-Nederland: overdracht van website en socialmedia-accounts toegewezen in geschil over projectbeheer

Rechtbank Midden-Nederland 1 sep 2026, IT 5539; ECLI:NL:RBMNE:2026:6275 ([eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. tegen [gedaagde sub 1] c.s.), https://www.itenrecht.nl/artikelen/voorzieningenrechter-midden-nederland-overdracht-van-website-en-socialmedia-accounts-toegewezen-in-geschil-over-projectbeheer

Rb. Midden-Nederland 1 september 2026, IT 5539; ECLI:NL:RBMNE:2026:6275 ([eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. tegen [gedaagde sub 1] c.s.). In een geschil over de samenwerking rond een project met modulaire wooneenheden vorderden de eisende vennootschappen onder meer dat gedaagden zouden stoppen met het gebruik van een bepaalde naam en de bijbehorende website, domeinnaam en socialmedia-accounts zouden overdragen. De voorzieningenrechter stelt vast dat de betreffende naam de (handels)naam is van twee van de eisende vennootschappen en aan hen toebehoort. Het verweer dat de naam slechts goodwill zou zijn, geen onderdeel van het verhuurbeheer vormde en alleen tijdelijk om praktische redenen door eisers werd gebruikt, acht de rechter onvoldoende onderbouwd. Gedaagden mogen de naam, of een daarvan slechts in geringe mate afwijkende naam, daarom niet langer gebruiken. De voorzieningenrechter overweegt daarnaast dat het recht op een domeinnaam niet wettelijk is geregeld en dat een domeinnaamhouder alleen tot overdracht kan worden verplicht wanneer daarvoor een rechtsplicht bestaat, bijvoorbeeld op grond van een overeenkomst of omdat registratie of gebruik tegenover een ander onrechtmatig is. Volgens de rechter geldt hetzelfde voor socialmedia-accounts. Gedaagden moeten de betreffende website, domeinnaam en accounts op onder meer Facebook, Instagram en X, inclusief de inloggegevens, binnen twee weken overdragen.

IT 5526

Geen ontbinding softwareovereenkomst na tijdig herstel van ontbrekende realtimefunctionaliteit

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 5 aug 2026, IT 5526; ECLI:NL:RBZWB:2026:8155 ([v.o.f.] tegen RentBuddy), https://www.itenrecht.nl/artikelen/geen-ontbinding-softwareovereenkomst-na-tijdig-herstel-van-ontbrekende-realtimefunctionaliteit

Rb. Zeeland-West-Brabant 5 augustus 2026, IT 5526; ECLI:NL:RBZWB:2026:8155 ([v.o.f.] tegen RentBuddy). [bedrijf] en [v.o.f.], beide actief in de verhuur van evenementenartikelen, sloten op 9 februari 2023 ieder een overeenkomst voor drie jaar met RentBuddy voor het gebruik van haar ERP/CRM-systeem. Zij stellen dat vooraf met RentBuddy was besproken dat hun klanten via hun websites realtime de beschikbaarheid van producten moesten kunnen zien via een API-koppeling. Deze functionaliteit ontbrak aanvankelijk. Bij de uitleg van de overeenkomst past de kantonrechter de Haviltex-maatstaf toe: niet alleen de tekst van de overeenkomst is bepalend, maar ook wat partijen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Uit een opname van een gesprek van 28 maart 2024 blijkt volgens de kantonrechter voldoende dat [bedrijf] en [v.o.f.] vóór het sluiten van de overeenkomsten hadden aangegeven dat realtimebeschikbaarheid voor hun webshops van belang was. Dat deze functionaliteit niet uitdrukkelijk in de offertes was opgenomen, is daarom niet doorslaggevend. [bedrijf] en [v.o.f.] mochten redelijkerwijs verwachten dat het systeem realtimebeschikbaarheid via de API kon weergeven. Deze functionaliteit maakte dus onderdeel uit van de overeenkomsten en het ontbreken daarvan leverde aanvankelijk een tekortkoming van RentBuddy op.

IT 5520

HR: ontbreken van verzuim bij wanprestatie sluit vordering uit onrechtmatige daad niet uit

Hoge Raad 17 jul 2026, IT 5520; ECLI:NL:HR:2026:1295 ([eiser] tegen Capgemini), https://www.itenrecht.nl/artikelen/hr-ontbreken-van-verzuim-bij-wanprestatie-sluit-vordering-uit-onrechtmatige-daad-niet-uit

HR 17 juli 2026, IT 5520; ECLI:NL:HR:2026:1295 ([eiser] tegen Capgemini). [eiser] vordert uit hoofde van aan hem overgedragen vorderingen van Equihold schadevergoeding van Capgemini wegens tekortkomingen bij de ontwikkeling van de sportapplicatie 1-2 Focus. Capgemini was op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomsten verantwoordelijk voor de kwaliteit van de software, terwijl Equihold onder meer verantwoordelijk bleef voor de functionaliteit, planning en deadlines. Het gerechtshof Den Haag wees de vorderingen uit wanprestatie af omdat Capgemini niet in verzuim was geraakt. De Hoge Raad laat dat oordeel in stand. Het hof mocht oordelen dat de toezegging van Capgemini in december 2006 om de gebreken binnen een half jaar op te lossen, gelet op de wijze van samenwerking, het voortdurende overleg, de RUP-methodiek en het ontbreken van een vastomlijnd eindproduct en tijdschema, geen voor de voldoening bepaalde termijn was in de zin van art. 6:83 onder a BW. Ook heeft het hof niet miskend dat een beroep op het ontbreken van verzuim ook tussen professionele partijen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn. In dit geval achtte het hof daarvoor onvoldoende grond aanwezig. De klachten over de gestelde blijvende onmogelijkheid van nakoming en over het beroep van Capgemini op de contractuele beperking van aansprakelijkheid slagen evenmin.

IT 5518

Inzage in bewijsbeslag deels toegestaan bij vermoeden van schending geheimhoudingsverplichtingen

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 1 sep 2026, IT 5518; ECLI:NL:GHARL:2026:5660 (MPS c.s. tegen [geïntimeerde]), https://www.itenrecht.nl/artikelen/inzage-in-bewijsbeslag-deels-toegestaan-bij-vermoeden-van-schending-geheimhoudingsverplichtingen

Hof Arnhem-Leeuwarden 1 september 2026, IEF 23831; IT 5518; ECLI:NL:GHARL:2026:5660 (MPS c.s. tegen [geïntimeerde]). Axign en haar Amerikaanse moedermaatschappij Monolithic Power Systems, gezamenlijk MPS c.s., vorderen in kort geding inzage in en afschrift van gegevens die in Nederland conservatoir in bewijsbeslag zijn genomen op privéapparaten van een voormalig werknemer van MPS die tijdelijk bij Axign was gedetacheerd. Na onderzoek van zijn werklaptop was het vermoeden ontstaan dat interne documenten waren overgebracht naar onder meer zijn iPhone, iPad en een Microsoft Surface laptop. Van deze apparaten, inclusief bepaalde cloud- en Discordgegevens, is op 6 oktober 2025 een forensische kopie gemaakt. In een parallelle Amerikaanse procedure bleek later dat na toepassing van zoektermen 1.405 documenten en foto's op de iPad waren aangetroffen, waarvan volgens MPS c.s. 112 interne of aan haar gerelateerde documenten waren. [Geïntimeerde] betwistte in hoger beroep niet meer dat deze 1.405 bestanden waren aangetroffen en dat 112 daarvan interne of aan MPS c.s. gerelateerde documenten betroffen. Ook stond onvoldoende ter discussie dat ten minste enkele aangetroffen stukken geheime en bedrijfsgevoelige informatie bevatten, waaronder een presentatie met omzet- en winstcijfers per grote klant en een bestand met klanten, onderdelen en prijzen. Het hof hoeft voor de inzagevordering niet vast te stellen hoe deze documenten op de apparaten terecht zijn gekomen. De deskundigenrapporten spreken elkaar daarover tegen en een dergelijk technisch onderzoek gaat het bestek van dit kort geding te buiten. Voor toepassing van art. 194 lid 1 Rv hoeft MPS c.s. bovendien niet eerst voldoende aannemelijk te maken dat zij daadwerkelijk een vorderingsrecht heeft. Zij moet wel voldoende belang bij de gevraagde inzage aannemelijk maken. Daarvan is volgens het hof sprake, omdat de aanwezigheid van interne en bedrijfsgevoelige documenten op de privéapparaten een begin van feitelijke onderbouwing vormt voor een mogelijke tekortkoming in de arbeids- en detacheringafspraken en, indien uit nader onderzoek blijkt dat documenten met derden zijn gedeeld, mogelijk onrechtmatig handelen.

IT 5513

Betalingsbewijs onvoldoende voor bewijs van betaling webhostingfactuur

Rechtbank Overijssel 1 sep 2026, IT 5513; ECLI:NL:RBOVE:2026:5497 (Mijndomein B.V. tegen [gedaagde]), https://www.itenrecht.nl/artikelen/betalingsbewijs-onvoldoende-voor-bewijs-van-betaling-webhostingfactuur

Rb. Overijssel 1 september 2026, IT 5513; ECLI:NL:RBOVE:2026:5497 (Mijndomein B.V. tegen [gedaagde]). De kantonrechter wijst de vordering van Mijndomein B.V. tot betaling van een factuur voor webhostingdiensten toe. Het bestaan van de overeenkomst en de hoogte van de factuur waren niet in geschil; alleen de vraag of gedaagde de factuur al had betaald. Gedaagde beriep zich op betaling en legde een betalingsbewijs over. Dit is volgens de kantonrechter een bevrijdend verweer, zodat gedaagde de bewijslast draagt van de gestelde betaling. Mijndomein heeft het betalingsbewijs bij repliek gemotiveerd betwist en onder meer aangevoerd dat daarop onvoldoende gegevens stonden om de betaling te controleren, dat de tenaamstelling niet overeenkwam en dat betalingen buiten de voorgeschreven betaalroute met een uniek betaalkenmerk niet correct konden worden verwerkt en mogelijk automatisch werden teruggeboekt. Omdat gedaagde, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet meer op deze gemotiveerde betwisting heeft gereageerd, acht de kantonrechter het beroep op betaling onvoldoende onderbouwd. De hoofdsom van € 82,28 wordt daarom toegewezen.

IT 5512

Gerecht: verwarringsgevaar tussen papyros by Modus en ouder merk PAPYRUS voor software en IT-diensten

Overige instanties 9 sep 2026, IT 5512; ECLI:EU:T:2026:539 (papyros by Modus), https://www.itenrecht.nl/artikelen/gerecht-verwarringsgevaar-tussen-papyros-by-modus-en-ouder-merk-papyrus-voor-software-en-it-diensten

Gerecht EU 9 september 2026, IEF 23811; IT 5512; IEFbe 4297; ECLI:EU:T:2026:539 (papyros by Modus). Het Gerecht verwerpt het beroep van Modus AE tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO waarbij het Uniemerk papyros by Modus op grond van artikel 60, lid 1, onder a, gelezen in samenhang met artikel 8, lid 1, onder b, van Verordening 2017/1001 nietig is verklaard wegens verwarringsgevaar met de oudere internationale woordmerkregistratie PAPYRUS, die werking heeft in de Europese Unie en is ingeschreven voor ‘gegevensverwerkingsapparatuur; computers’ in klasse 9. Het bestreden merk ziet, na beperking van de waren- en dienstenlijst, op software voor het beheer van bedrijfsdocumenten en workflows in klasse 9 en daarmee verband houdende softwarediensten in klasse 42. Het relevante publiek bestaat uit zakelijke afnemers met een verhoogd aandachtsniveau. Het Gerecht bevestigt dat de software in klasse 9 gemiddeld soortgelijk is aan de waren van het oudere merk vanwege onder meer hun complementariteit, overlappende afnemers en distributiekanalen en de mogelijkheid dat zij door dezelfde ondernemingen worden aangeboden. De diensten in klasse 42 zijn ten minste in geringe mate soortgelijk aan die waren, omdat zij tot dezelfde IT-sector behoren, zich tot dezelfde afnemers kunnen richten en gezamenlijk als geïntegreerde IT-oplossingen kunnen worden aangeboden. Het enkele verschil tussen software en hardware sluit soortgelijkheid dan ook niet uit. Het verzoek van Modus om het EUIPO op te dragen de registratie van het merk in stand te houden, wijst het Gerecht bovendien af wegens het ontbreken van bevoegdheid om het EUIPO dergelijke bevelen te geven.

IT 5501

Betalingsverplichting consument met 20% verminderd wegens schending informatieplichten; incassobeding Riverty vernietigd

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12 aug 2026, IT 5501; ECLI:NL:RBZWB:2026:7598 (Riverty tegen [gedaagde]), https://www.itenrecht.nl/artikelen/betalingsverplichting-consument-met-20-verminderd-wegens-schending-informatieplichten-incassobeding-riverty-vernietigd

Rb. Zeeland-West-Brabant 12 augustus 2026, IT 5501; ECLI:NL:RBZWB:2026:7598 (Riverty tegen [gedaagde]). Riverty vordert € 149,99 van een consument voor een bestelling bij Decathlon die via achteraf betalen is afgerekend. De consument voert aan dat hij de bestelling heeft geannuleerd en daarom niets verschuldigd is. De kantonrechter volgt dit verweer niet. Uit het door Riverty overgelegde betaaloverzicht blijkt dat op naam en adres van de consument een bestelling is geplaatst, terwijl hij de juistheid daarvan onvoldoende concreet heeft betwist. Uit de door de consument overgelegde screenshot van een annuleringsmail kan bovendien niet worden afgeleid dat deze betrekking heeft op de specifieke bestelling waarvoor Riverty betaling vordert. Daarbij weegt mee dat de consument pas in december 2025 voor het eerst heeft aangevoerd dat de bestelling was geannuleerd, terwijl Riverty hem al in 2023 en 2024 over de openstaande vordering had aangeschreven. De kantonrechter concludeert daarom dat de consument in beginsel gehouden is het aankoopbedrag te betalen.

IT 5432

Elektronische handtekening voldoende betrouwbaar: taxatieovereenkomst heeft dwingende bewijskracht

Rechtbank Overijssel 28 jul 2026, IT 5432; ECLI:NL:RBOVE:2026:4805 (Fitrex tegen [gedaagde]), https://www.itenrecht.nl/artikelen/elektronische-handtekening-voldoende-betrouwbaar-taxatieovereenkomst-heeft-dwingende-bewijskracht

Rb. Overijssel 28 juli 2026, IT 5432; ECLI:NL:RBOVE:2026:4805 (Fitrex tegen [gedaagde]). Tussen Fitrex en een consument is in geschil of een overeenkomst tot stand is gekomen voor de taxatie van diens woning. De consument betwist dat hij de overeenkomst digitaal heeft ondertekend en stelt dat de taxatiekosten al waren inbegrepen in het bedrag dat hij aan zijn hypotheekadviseur had betaald. De kantonrechter overweegt dat een elektronisch ondertekend geschrift als onderhandse akte dwingende bewijskracht kan hebben wanneer de gebruikte methode van ondertekening, gelet op het doel waarvoor zij is gebruikt en alle overige omstandigheden van het geval, voldoende betrouwbaar is. Fitrex had de contactgegevens van de consument via een bij haar bekende tussenpersoon ontvangen, de overeenkomst naar diens e-mailadres gestuurd en bij de ondertekening onder meer het gebruikte e-mailadres, IP-adres, de datum en het tijdstip geregistreerd. Gelet op deze werkwijze en het doel van de overeenkomst – een eenmalige taxatie tegen een vooraf bepaalde vaste prijs – acht de kantonrechter de ondertekenmethode voldoende betrouwbaar. De overeenkomst heeft daarom tussen partijen dwingende bewijskracht van hetgeen daarin is vastgelegd, behoudens tegenbewijs. De consument heeft geen tegenbewijs geleverd of aangeboden en heeft bovendien bevestigd dat het geregistreerde e-mailadres bij hem in gebruik is. De kantonrechter concludeert dat een overeenkomst tussen Fitrex en de consument tot stand is gekomen en dat de consument € 645 voor de taxatie moet betalen. Dat hij mogelijk met zijn hypotheekadviseur had afgesproken dat de taxatiekosten in diens vergoeding waren inbegrepen, maakt dit niet anders, omdat Fitrex juridisch buiten die afspraak staat.

IT 5365

Geen hostingvrijstelling bij inhoudelijke beoordeling van YouTube-partnerkanaal met gokreclame

HvJ EU 16 jul 2026, IT 5365; ECLI:EU:C:2026:592 (AGCOM tegen Google Ireland Ltd), https://www.itenrecht.nl/artikelen/geen-hostingvrijstelling-bij-inhoudelijke-beoordeling-van-youtube-partnerkanaal-met-gokreclame

HvJ EU 16 juli 2026, IEF 23858; RB 4060; IT 5365; ECLI:EU:C:2026:592 (AGCOM tegen Google Ireland). De Italiaanse toezichthouder AGCOM legt Google een bestuurlijke boete van € 750.000 op wegens video’s op vijf YouTube-kanalen waarin gokwebsites werden gepromoot. Ook beveelt AGCOM Google om 630 video’s en soortgelijke content te verwijderen. De betrokken contentmaker nam deel aan het YouTube Partner Programme, waarbij Google en de maker reclame-inkomsten delen. Het Hof maakt bij de beoordeling van de Richtlijn elektronische handel onderscheid tussen het online maken van reclame voor gokactiviteiten en het hosten van video’s waarin dergelijke reclame voorkomt. De activiteit die bestaat in het online maken van gokreclame is intrinsiek met gokactiviteiten verbonden en valt buiten het toepassingsgebied van de richtlijn. Het online hosten van video’s met gokreclame valt daarentegen wel binnen dat toepassingsgebied, omdat hosting als zodanig niet intrinsiek met gokken is verbonden en in beginsel niet verschilt naargelang de aard van de opgeslagen content.

IT 5374

Definitieve richtsnoeren artikel 50 AI-verordening (transparantie): dit zijn de 9 belangrijkste wijzigingen


Op 20 juli 2026 heeft de Europese Commissie de definitieve richtsnoeren over de transparantieverplichtingen van artikel 50 AI-verordening gepubliceerd. Deze verplichtingen zijn vanaf 2 augustus 2026 van toepassing op aanbieders en gebruiksverantwoordelijken van verschillende soorten AI-systemen.

We publiceerden eerder deze maand al een volledige bespreking van alle verplichtingen uit artikel 50, met inachtneming van de concept-richtsnoeren en de bijbehorende praktijkcode. Deze bespreking is aan de hand van de definitieve richtsnoeren geactualiseerd. Zij biedt organisaties de benodigde handvatten om vanaf 2 augustus aan de nieuwe transparantieverplichtingen te voldoen.

In dit artikel richten we ons uitsluitend op de negen belangrijkste wijzigingen die in de definitieve richtsnoeren zijn aangebracht ten opzichte van de eerdere conceptversie. Deze wijzigingen variëren van lichte aanscherpingen tot geheel nieuwe interpretaties (!). Zij worden hierna achtereenvolgens besproken.