Gepubliceerd op woensdag 22 juli 2026
IT 5372
Overige instanties ||
10 jun 2026,
Overige instanties 10 jun 2026,, IT 5372; ECLI:NL:RVS:2026:3333 ([appellant] tegen AP), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/ap-mocht-afzien-van-nader-onderzoek-naar-avg-inzageklacht

AP mocht afzien van nader onderzoek naar AVG-inzageklacht

RvS 10 juni 2026, IT 5372; ECLI:NL:RVS:2026:3333 ([appellant] tegen AP). Een betrokkene dient bij de Autoriteit Persoonsgegevens een klacht in tegen een administratiekantoor, omdat dit volgens hem niet volledig heeft voldaan aan zijn inzageverzoek op grond van artikel 15 AVG. De AP kan op basis van een globaal bureauonderzoek niet vaststellen dat sprake is van een AVG-overtreding. Omdat daarvoor nader onderzoek nodig zou zijn, beoordeelt zij aan de hand van haar Beleidsregels prioritering klachtenonderzoek of zij dat onderzoek zal uitvoeren. De AP besluit daarvan af te zien en wijst de klacht af. De rechtbank oordeelt dat de AP redelijkerwijs mocht uitgaan van de verklaring van het administratiekantoor dat alle opgevraagde stukken waarin persoonsgegevens van de betrokkene waren verwerkt, waren verstrekt. Ook mocht de AP volgens de rechtbank met toepassing van haar prioriteringsbeleid afzien van nader onderzoek.

In hoger beroep voert de betrokkene aan dat de AP onvoldoende eigen onderzoek heeft verricht, dat het administratiekantoor mogelijk stukken heeft achtergehouden met een beroep op een retentierecht en dat het kantoor ook zijn privéadministratie beheerde. Volgens hem rechtvaardigden de ernst van de zaak en de gevolgen voor hem een uitgebreider onderzoek. De Afdeling bevestigt echter het oordeel van de rechtbank. De betrokkene heeft niet concreet gemaakt of onderbouwd welke aanvullende stukken met persoonsgegevens het administratiekantoor nog zou bezitten. Of het kantoor alleen zakelijke of ook privéadministratie beheerde, is daarom niet beslissend. De AP mocht in redelijkheid afzien van nader onderzoek. De Afdeling stelt niet vast dat het administratiekantoor artikel 15 AVG daadwerkelijk heeft nageleefd, maar oordeelt alleen dat de AP de klacht na het globale bureauonderzoek en toepassing van haar prioriteringsbeleid mocht afwijzen. Het hoger beroep is ongegrond en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

4.       Wat [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd is min of meer een herhaling van wat hij bij de rechtbank heeft aangevoerd. Hij heeft zijn standpunt dat [administratiekantoor] over meer stukken zou moeten beschikken en dat daarnaar nader onderzoek zou moeten worden verricht niet geconcretiseerd of nader onderbouwd. Ook de Afdeling is van oordeel dat de AP in dit geval in redelijkheid heeft afgezien van het uitvoeren van nader onderzoek. Het is, anders dan [appellant] betoogt, niet relevant of [administratiekantoor] enkel de zakelijke administratie of ook de privé-administratie van [appellant] beheerde. [administratiekantoor] heeft immers, naar aanleiding van vragen van de AP, gesteld dat alle stukken waarin persoonsgegevens zijn verwerkt en die door [appellant] zijn opgevraagd, zijn verstrekt. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 5 tot en met 6.3 van de uitspraak opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling ziet in wat [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding de uitspraak van de rechtbank te vernietigen.

4.1.    Het betoog slaagt niet.