1 aug 2025
Kopieer citeerwijze ||
Integritetsskyddsmyndigheten tegen AB Storstockholms Lokaltrafik
Artikel 13 AVG bij verzameling persoonsgegevens met bodycams
HvJ EU Conclusie A-G 1 augustus 2025, IT 5055; ECLI:EU:C:2025:623 (Integritetsskyddsmyndigheten tegen AB Storstockholms Lokaltrafik). AB Storstockholms Lokaltrafik (openbaar vervoer Stockholm) rust haar kaartcontroleurs uit met bodycams. Deze nemen continu beeld en geluid op en worden gebruikt bij het uitschrijven van boetes en ter voorkoming en documentatie van agressie. Opnames worden standaard na één minuut gewist, tenzij de controleur de wissing handmatig onderbreekt (bijvoorbeeld bij een boete of bedreiging). De Zweedse Autoriteit voor Gegevensbescherming (Integritetsskyddsmyndigheten) oordeelde dat SL tussen 2018 en 2021 de AVG had geschonden, onder meer doordat passagiers onvoldoende waren geïnformeerd over de gegevensverwerking. SL kreeg een boete van 16 miljoen SEK, waarvan 4 miljoen SEK specifiek wegens schending van de informatieplicht van artikel 13 AVG. De prejudiciële vraag die gesteld werd: "Is bij het verzamelen van persoonsgegevens met bodycams artikel 13 AVG (gegevens rechtstreeks van de betrokkene) of artikel 14 AVG (gegevens niet van de betrokkene verkregen) van toepassing?"
De A-G benadrukt dat artikel 13 en 14 elkaar uitsluiten. Het onderscheid is de bron van de gegevens. Bij artikel 13 AVG worden de gegevens direct van de betrokkene verkregen (direct). Bij artikel 14 AVG zijn de gegevens niet van de betrokkene verkregen (indirect). Bij bodycams is de betrokkene zelf de bron, dus is er sprake van directe gegevensverzameling en artikel 13 AVG is van toepassing. Bij bodycams is de betrokkene bron van de gegevens doordat hij/zij fysiek aanwezig is in het opnamebereik. Dat is directe verzameling “door observatie”. Volgens de A-G vereist “verzameld van de betrokkene” niet dat de betrokkene een formulier invult of anderszins actief gegevens verstrekt. Ook bij observatiegegevens (zoals camerabeelden) geldt artikel 13. De kennis van de betrokkene is juist een doel van artikel 13: de plicht om te informeren moet ervoor zorgen dat de betrokkene tijdig weet dat gegevens worden verzameld. Artikel 13 verlangt informatie “op het moment van verkrijging”. Dat past bij cameratoezicht: betrokkenen moeten idealiter vóór of bij binnenkomst in het gecontroleerde gebied weten dat opname plaatsvindt, zodat zij hun rechten kunnen uitoefenen of gedrag kunnen aanpassen. De A-G bespreekt de in de praktijk gangbare meerlagige informatievoorziening (bijv. een duidelijk bord met kerninformatie + verwijzing naar uitgebreide info via QR/website/papier). Dat is volgens de A-G niet “typisch artikel 14”, maar volgt uit artikel 12 AVG (“passende maatregelen”). Het argument dat het “onmogelijk” of “onpraktisch” zou zijn om iedere reiziger individueel vooraf te informeren, maakt niet dat artikel 14 van toepassing is. De uitzondering van artikel 14 lid 5 onder b AVG kan niet worden ingeroepen om artikel 13 te omzeilen. Als bodycams onder artikel 14 zouden vallen, bestaat het risico dat de informatieplicht wordt uitgehold en dat (semi-)verborgen toezicht ontstaat. Bij persoonsgegevens die worden verzameld met bodycams door OV-controleurs geldt artikel 13 AVG; artikel 14 AVG is niet van toepassing
60. In the light of the foregoing considerations, I propose that the Court should answer the question referred for a preliminary ruling by the Högsta förvaltningsdomstolen (Supreme Administrative Court, Sweden) as follows:
Articles 13 and 14 of Regulation (EU) 2016/679 of the European Parliament and of the Council of 27 April 2016 on the protection of natural persons with regard to the processing of personal data and on the free movement of such data, and repealing Directive 95/46/EC (General Data Protection Regulation),
must be interpreted as meaning that, in a situation in which personal data are collected by means of body cameras worn by ticket inspectors working for a public transport company, Article 13 applies, while Article 14 does not apply.