1 jul 2026,
Artikel 54 AVG sluit toepassing Woo op toezichtsinformatie AP niet uit
Rb. Amsterdam 1 juli 2026, IT 5503; ECLI:NL:RBAMS:2026:6692 (eiseres tegen de AP en GGD GHOR). Eiseres heeft de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) op grond van de Wet open overheid verzocht om informatie over een datalek uit januari 2021 waarbij de GGD-systemen CoronIT, HPZone en HPZone Lite waren betrokken en over het onderzoek van de AP daarnaar. De AP wees het verzoek volledig af en stelde onder meer dat art. 54 lid 2 AVG, dat een beroepsgeheim oplegt aan leden en personeel van toezichthoudende autoriteiten, eraan in de weg staat dat deze gevoelige toezichtsinformatie onder de Woo openbaar wordt gemaakt. De rechtbank volgt dat niet. Hoewel de AVG als rechtstreeks werkende Unierechtelijke verordening voorrang heeft boven nationaal recht, bevat art. 54 lid 2 AVG volgens de rechtbank geen regeling die documenten die bij de AP berusten aan openbaarmaking onttrekt. De bepaling ziet op het beroepsgeheim van personen die bij de toezichthouder werkzaam zijn ten aanzien van vertrouwelijke informatie die hun bij de uitoefening van hun taken bekend is geworden. Anders dan bijvoorbeeld een bepaling die uitdrukkelijk het verstrekken van informatie regelt, biedt art. 54 lid 2 AVG geen grond om de openbaarmakingsregels van de Woo buiten toepassing te laten. De AP moet daarom aan de hand van de Woo beoordelen of en in hoeverre de gevraagde documenten openbaar kunnen worden gemaakt.
Ook de wijze waarop de AP het verzoek heeft behandeld houdt geen stand. De in beroep overgelegde geschoonde inventarislijst met 146 documentnummers geeft onvoldoende inzicht in de aard van de gevonden documenten, waardoor eiseres niet goed kan beoordelen of de zoekslag volledig is en tegen de weigering kan opkomen. De rechtbank acht de zoekmethode op zichzelf grotendeels inzichtelijk, maar vindt onvoldoende verklaard waarom de AP kennelijk niet beschikt over de grote hoeveelheid logbestanden die gelet op het datalek verwacht mocht worden; de AP moet deze alsnog achterhalen of nader motiveren dat zij niet onder haar berusten. Daarnaast mocht de AP openbaarmaking niet zonder nadere beoordeling integraal weigeren op grond van art. 5.1 lid 1 onder c en lid 2 onder d en i Woo. Per zelfstandig onderdeel van een document moet voldoende kenbaar zijn welke uitzonderingsgrond wordt toegepast en, bij de relatieve uitzonderingsgronden van lid 2, waarom het beschermde belang zwaarder weegt dan het algemene belang van openbaarheid. De rechtbank heeft bovendien passages gezien waarop mogelijk geen weigeringsgrond van toepassing is. Het beroep is daarom gegrond en het besluit van 5 maart 2024 wordt vernietigd. De AP moet binnen zes weken een nieuw besluit op bezwaar nemen met inachtneming van de uitspraak; de rechtbank beslist dus niet zelf welke informatie uiteindelijk openbaar moet worden gemaakt.
Het oordeel van de rechtbank
4. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van het besluit aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. De rechtbank beantwoordt daarbij allereerst de vraag of de Woo van toepassing is, omdat sprake is van gevoelige toezichtsinformatie die volgens de AP niet in aanmerking komt voor openbaarmaking onder de Woo. Ook beoordeelt de rechtbank of de AP terecht heeft geweigerd een – inhoudelijke – inventarislijst te verstrekken. In het verlengde daarvan ligt de vraag voor of de AP de zoekslag voldoende inzichtelijk heeft gemaakt. Ten slotte beoordeelt de rechtbank of de AP heeft mogen weigeren de documenten openbaar te maken op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder c, en tweede lid, aanhef en onder d en i van de Woo.
5. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Komt de verzochte informatie in aanmerking voor openbaarmaking onder de Woo?
6. De AP heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de Woo niet van toepassing is op het verzoek van eiseres gelet op artikel 54 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Het Woo-verzoek van eiseres is gericht op zeer gevoelige toezichtsinformatie. Voor diverse toezichthouders heeft de nationale wetgever voorzien in een specifieke wettelijke regeling waaruit volgt dat toezichtsinformatie niet in aanmerking komt voor openbaarmaking. Voor de AP geldt geen specifieke nationale regeling, maar volgens de AP volgt uit artikel 54, tweede lid, van de AVG dat een beroepsgeheim geldt voor het bestuur en personeelsleden van de AP ten aanzien van de vertrouwelijke informatie die hen bij de uitvoering van hun taken of de uitoefening van hun bevoegdheden ter kennis is gekomen, zowel tijdens hun ambtstermijn als daarna. Volgens de AP is het niet van belang dat de AP niet voorkomt op de lijst in de bijlage bij artikel 8.8 van de Woo, aangezien de AVG een Europese verordening is en dus rechtstreeks doorwerkt in de Nederlandse rechtsorde.
6.1.
De rechtbank oordeelt als volgt. De AVG is een Europese verordening en heeft daarmee als internationaal voorschrift gesteld bij of krachtens een verdrag dat voor Nederland van kracht is, rechtstreekse werking binnen de Nederlandse rechtsorde, zoals de AP betoogt. De AVG geniet hiermee voorrang boven het nationale recht, zoals de Woo. De vervolgvraag is dan of de AVG inderdaad regels geeft ten aanzien van openbaarmaking van toezichtsinformatie, op grond waarvan de bepalingen in de Woo terzijde zouden moeten worden geschoven. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Naar het oordeel van de rechtbank ziet artikel 54, tweede lid, van de AVG op het beroepsgeheim van werknemers binnen de organisatie van een toezichthouder binnen de ambtstermijn en daarna. Het artikel heeft dus betrekking op vertrouwelijke informatie die medewerkers van, in dit geval, de AP bij de uitoefening van hun taken of bevoegdheden ter kennis is gekomen. De rechtbank leest in dit artikel geen aanknopingspunten om aan te nemen dat het artikel ziet op geheimhouding van documenten die bij de AP berusten of dat met dit artikel bedoeld zou zijn de openbaarmakingsbepalingen uit de Woo opzij te zetten. Dit is anders in de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 februari 20253 waar de AP naar heeft verwezen, waarin informatie geweigerd werd op grond van artikel 12 van het Douanewetboek van de Unie (DWU). Artikel 12 van het DWU spreekt namelijk, anders dan artikel 54, tweede lid, van de AVG, uitdrukkelijk over het verstrekken van informatie. In de onderhavige zaak betekent dit dat de Woo op het verzoek van toepassing is en dat aan de hand van de bepalingen in de Woo beoordeeld moet worden of de gevonden documenten openbaar gemaakt moeten worden.