Gepubliceerd op maandag 7 september 2026
IT 5502
Rechtbank Noord-Holland ||
2 sep 2026,
Rechtbank Noord-Holland 2 sep 2026,, IT 5502; ECLI:NL:RBNHO:2026:11306 (de Belastingdienst tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/belastingdienst-mag-persoonsgegevens-leden-businessclub-opvragen-gegevens-over-evenementbezoek-gaan-te-ver

Belastingdienst mag persoonsgegevens leden businessclub opvragen; gegevens over evenementbezoek gaan te ver

Rb. Noord-Holland 2 september 2026, IT 5502; ECLI:NL:RBNHO:2026:11306 (de Belastingdienst tegen [gedaagde]). De Belastingdienst vordert in kort geding dat een exploitant van luxe herenmodezaken op grond van art. 47, 49 en 53 AWR gegevens verstrekt over de leden van haar businessclub. Volgens de onderneming gaat het om een ongeoorloofde fishing expedition en vormt de bulkuitvraag van rechtstreeks herleidbare persoonsgegevens een disproportionele inmenging in de privacy van haar klanten, in strijd met de AVG en art. 8 EVRM. De voorzieningenrechter oordeelt dat art. 47 en 53 AWR de Belastingdienst een ruime bevoegdheid geven om bij administratieplichtigen gegevens op te vragen die voor de belastingheffing van derden van belang kunnen zijn. Niet vereist is dat vooraf voor iedere individuele belastingplichtige concrete aanwijzingen bestaan; ook serievragen over een afgebakende categorie derden zijn toegestaan. De uitvraag betreft hier een vooraf bepaalde, inhoudelijk samenhangende groep – de leden van de businessclub gedurende een beperkt aantal fiscale jaren – en de Belastingdienst heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de gegevens relevant kunnen zijn voor onder meer de fiscale verwerking van kleding, shoptegoeden en deelname aan activiteiten. Van een fishing expedition of détournement de pouvoir is daarom geen sprake. De voorzieningenrechter ziet evenmin aanleiding prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen.

De concrete gegevensuitvraag moet wel voldoen aan proportionaliteit en subsidiariteit, mede in het licht van art. 8 EVRM en de beginselen van de AVG. De voorzieningenrechter acht de gevraagde gegevens in beginsel noodzakelijk voor het fiscale vervolgonderzoek, maar de opgave van alle aanwezigen bij door de businessclub georganiseerde evenementen gaat te ver vanwege het vergaande privacykarakter daarvan; dergelijke informatie kan in een later stadium bij de betrokken belastingplichtigen zelf worden opgevraagd. Voor zover persoonsgegevens worden verwerkt, komt de onderneming bovendien geen zelfstandig beroep op de AVG toe ter bescherming van haar klanten. De voorzieningenrechter oordeelt niettemin dat de toegewezen verwerking effectief, noodzakelijk en proportioneel is, niet verder gaat dan nodig en daarmee ook voldoet aan het beginsel van dataminimalisatie; ook van een schending van art. 8 EVRM is geen sprake. De onderneming moet binnen vier weken de gevraagde gegevens over 2019 tot en met 2025 verstrekken, waaronder namen en adressen van leden, soort lidmaatschap en shoptegoed, betaalde bedragen, ingangsdata, ongebruikte bestedingsbedragen, betaalbewijzen en facturen. De naam op de winkelpas hoeft niet te worden verstrekt omdat niet is gebleken dat de onderneming daarover beschikt, en voor 2026 ontbreekt voldoende spoedeisend belang. Aan niet-nakoming is een oplopende dwangsom verbonden van € 5.000 per dag in de eerste week, € 10.000 per dag in de tweede week en € 20.000 per dag daarna, tot maximaal € 500.000.

Geen schending van de AVG

5.14.

[gedaagde] voert terecht aan dat sprake is van verwerking van persoonsgegevens in de zin van de AVG, ten minste voor zover de door de Belastingdienst gevraagde gegevens geen bedrijfsinformatie maar persoonsgegevens bevatten. [gedaagde] komt echter geen zelfstandig beroep op de AVG toe, omdat zij niet de natuurlijke persoon is waar de gegevens betrekking op hebben. [gedaagde] kan dus geen eigen belang aan de AVG en de privacy en het gegevensbeschermingsrecht van haar klanten ontlenen. Het is voorstelbaar dat [gedaagde] vanuit commercieel opzicht het belang van haar klanten wenst te behartigen, maar van een rechtsgrond daartoe is niet gebleken.

5.15.

Volgens [gedaagde] bestaat er geen toereikende wettelijke grondslag voor de uitvraag van de Belastingdienst, omdat het doel daarvan onvoldoende duidelijk is en de verwerking van gegevens voor dat doel niet aan het noodzakelijkheidsvereiste van artikel 6 lid 1, aanhef en onder e AVG zou voldoen. Uit hetgeen hiervoor is opgemerkt volgt dat de voorzieningenrechter dat betoog niet onderschrijft. Daarmee is voor wat betreft [gedaagde] beroep op de AVG de kous af: zij kan in haar verhouding tot de betrokken leden volstaan met de met dit vonnis gestaafde verwijzing naar haar wettelijke verplichting.

5.16.

Anders dan [gedaagde] heeft betoogd, wordt de onderhavige gegevensverwerking effectief, noodzakelijk en proportioneel geacht: zij gaat niet verder dan nodig is om de Belastingdienst cruciale gegevens te verschaffen voor een vervolgonderzoek waarvoor, objectief gezien, een redelijke aanleiding bestaat en waarover de Belastingdienst niet zonder bovenmatige inspanning langs andere weg de beschikking kan krijgen. Daarmee is ook aan het beginsel van dataminimalisatie voldaan.

De Belastingdienst is verplicht de gegevens geheim te houden, zodat ook het beroep op privacy schending niet tot een andere uitkomst kan leiden.

5.17.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat ook het beroep op artikel 8 EVRM niet slaagt. Het bevel om de gegevens te verstrekken is op de wet gebaseerd, noodzakelijk en proportioneel.