IT 3972

Beslissing sjoemelsoftware-zaak aangehouden

Rb. Midden-Nederland 6 april 2022, IT 3972; ECLI:NL:RBMNE:2022:1274 (Volkswagen tegen Volkswagen Aktiengesellschaft) Naast deze zaak over sjoemelsoftware zijn er tevens andere zaken aanhangig wat betreft deze kwestie, zie [IT 3696]. In het vervolg hierop is het een individuele benadeelde, die wordt vertegenwoordigd door een stichting, die poogt een schadevergoeding te verkrijgen van Volkswagen. De kantonrechter besluit hierom dat de huidige zaak wordt aangehouden tot er duidelijkheid is omtrent de vraag of de DEJ-procedure bij de rechtbank Amsterdam onder het toepassingsbereik van de WAMCA valt. Het is immers onduidelijk of de positie van de stichting en of de individuele benadeelde waarvoor zij opkomt wordt aangetast hierdoor.

2.11. De kantonrechter is van oordeel dat verwijzing niet aan de orde is op grond van litispendentie: er is geen sprake van procedures tussen dezelfde partijen. De Stichting is geen partij bij de DEJ-procedure die in Amsterdam loopt. De omstandigheid dat een uiteindelijke uitspraak in die procedure op grond van de WAMCA ook gezag van gewijsde heeft voor [A] /de Stichting maakt niet dat [A] of de Stichting als partij bij die procedure kan worden beschouwd. Dit wordt als volgt toegelicht. Op dit moment is de stand van zaken in de DEJ-procedure dat nog beslist moet worden of daarop de WAMCA van toepassing is. Als de DEJ-procedure onder het bereik van de WAMCA valt, zal daarna de vraag moeten worden beantwoord of [A] /de Stichting valt onder de groep personen van wie de belangen in de collectieve vordering worden behartigd, zoals de rechtbank Amsterdam die dan “nauw moet omschrijven”. Mocht [A] /de Stichting onder die groepsbeschrijving vallen, bestaat nog de mogelijkheid van opt-out, wat dan tot gevolg zou hebben dat de procedure geen gevolg heeft of tot gebondenheid leidt voor diegene die hebben gekozen voor opt-out. Dit betekent dat, in ieder geval op dit moment, niet gezegd kan worden dat sprake is van dezelfde partijen en daarmee van lititspendentie, zodat op die grond de vordering tot verwijzing niet kan worden toegewezen.

2.12. De kantonrechter zal nu ingaan op de vraag of sprake is van verknochtheid/connexiteit die verwijzing naar de rechtbank Amsterdam mogelijk maakt. Voor verwijzing op deze grond is in ieder geval niet vereist dat het moet gaan om procedures tussen dezelfde partijen. Wel moet het gaan om identieke feitelijke of juridische geschilpunten of daarmee in ieder geval zodanige samenhang vertonen dat consistentie van de uitspraken wenselijk is. Anders dan Volkswagen is de kantonrechter van oordeel dat de feitelijke en juridische geschilpunten in de DEJ-procedure en deze procedure niet zodanig identiek zijn of zodanig samenhangen dat consistentie van de uitspraken wenselijk is. Deze zaak gaat in de kern alleen over één individuele schadevergoedingsvordering op grond van onrechtmatig handelen (waarvoor een verklaring voor recht en een bedrag aan schadevergoeding wordt gevraagd), terwijl in de DEJ-procedure behalve schadevergoeding ook talloze andere vorderingen tegen diverse gedaagde partijen moeten worden beoordeeld, zoals diverse verklaringen voor recht, vernietiging, ontbinding en zaaksvervanging. In feite is de enige overlap tussen beide procedures te vinden in de grondslag van de aansprakelijkheid ten opzichte van Volkswagen; onrechtmatige daad. Qua schade verschillen de zaken namelijk ook: in deze zaak zal de schade concreet moeten worden begroot terwijl, als de DEJ-procedure een WAMCA-zaak blijkt te zijn, er dan voor de rechter alleen ruimte is om de schade abstract vast te stellen. Wat de kantonrechter hierbij ook in aanmerking heeft genomen is dat de WAMCA ook de mogelijkheid open laat voor het (op termijn) voeren van individuele procedures. Tot slot geldt ook hier dat op dit moment nog niet vaststaat dat de WAMCA van toepassing is op de DEJ-procedure waardoor er in ieder geval geen direct gevaar bestaat voor tegenstrijdige beslissingen. Ook op deze grond kan dus geen verwijzing plaatsvinden naar de rechtbank Amsterdam.

2.19. Het feit dat bij rechtbank Amsterdam de DEJ-procedure loopt waarin (in dit geval: deels) dezelfde rechtsvraag speelt als in deze zaak kan dus in principe aanleiding zijn om deze procedure aan te houden, waarbij blijft gelden dat de rechter moet waken tegen onredelijke vertraging van de procedure. De kantonrechter is van oordeel dat een goede rechtsbedeling met zich meebrengt dat deze individuele zaak in ieder geval wordt aangehouden totdat duidelijk is of de DEJ-procedure gekwalificeerd wordt als een WAMCA-procedure, dat staat nu namelijk nog niet vast, en als dat het geval is wat dat dan betekent voor de positie van de Stichting en/of [A] (in verband met de nauw te omschrijven groep). De Stichting heeft aangevoerd dat dan zonder meer gebruik zal worden gemaakt van de mogelijkheid tot opt-out, maar dat maakt dit oordeel op dit moment niet anders. Opt-out kan in ieder geval niet bij voorbaat, daarin voorziet de wettelijke regeling van de WAMCA niet. Afgewacht moet dus worden 1) of überhaupt sprake is van een WAMCA-procedure en 2) of vervolgens in een later stadium opt-out aan de orde is. Het belang van de Stichting op een snelle behandeling van de zaak maakt dit in de gegeven omstandigheden niet anders. [A] heeft zijn schade in ieder geval voor een deel vergoed gekregen en de Stichting is een claimstichting die gelet op het doel geen zodanig (eigen) belang bij een snelle uitspraak heeft dat dat belang nu zwaarder moet wegen dan het belang van een goede rechtsbedeling.