Gepubliceerd op maandag 12 oktober 2026
IT 5566
Gerechtshof Amsterdam ||
22 nov 2001,
Gerechtshof Amsterdam 22 nov 2001,, IT 5566; ECLI:NL:GHAMS:2001:AD7868 (Liebeswerk Kirche in Not/Ostpriesterhilfe tegen Cap Gemini Benelux B.V.), https://www.itenrecht.nl/artikelen/cap-gemini-aansprakelijk-voor-ernstige-tekortkoming-bij-ontwikkeling-en-invoering-it-systeem

Cap Gemini aansprakelijk voor ernstige tekortkoming bij ontwikkeling en invoering IT-systeem

Hof Amsterdam 22 november 2001, IT 5566; ECLI:NL:GHAMS:2001:AD7868 (Liebeswerk Kirche in Not/Ostpriesterhilfe tegen Cap Gemini Benelux B.V.). Liebeswerk Kirche in Not/Ostpriesterhilfe (KIN) had Cap Gemini opdracht gegeven een informatiesysteem te ontwikkelen dat op verschillende Europese vestigingen kon worden gebruikt. Nadat Cap Gemini had toegezegd dat het systeem gebruiksgereed zou zijn voor invoering in München, stelde KIN haar met een redelijke termijn in gebreke voor het geval dit op 1 juni 1987 niet het geval zou zijn. Uit het deskundigenbericht volgt dat het systeem op die datum hooguit het niveau van een bètaversie had: functioneel was het grotendeels gereed, maar operationeel nog niet geschikt om in productie te worden genomen. Voor herstel van de functionele tekortkomingen waren nog één tot twee manmaanden nodig en voor de operationele tekortkomingen drie tot zes manmaanden. Het hof oordeelt daarom dat Cap Gemini op 1 juni 1987 tekortgeschoten en in verzuim was. KIN mocht de overeenkomst vervolgens beëindigen en schadevergoeding verlangen. Bij de beoordeling van de ernst van de tekortkoming betrekt het hof tevens dat het systeem aanzienlijk later dan oorspronkelijk voorzien nog niet naar behoren functioneerde, verdere implementatie in andere landen nog aanzienlijke inspanningen vergde en de deskundigen hadden geoordeeld dat bij de uitvoering van het project tegen vrijwel alle basisregels van projectmanagement was gezondigd. De tekortkoming wordt daarom als ernstig aangemerkt.

Cap Gemini beriep zich op een exoneratieclausule in de Cosso-voorwaarden die haar aansprakelijkheid beperkte tot maximaal ƒ 100.000. Het hof acht dat beroep naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Daarbij wegen onder meer mee de wijze waarop de algemene voorwaarden tot stand waren gekomen, de afhankelijkheid van KIN van de deskundigheid van Cap Gemini, het belang van de overeengekomen prestatie en de ernst van de tekortkoming. Cap Gemini is daarom aansprakelijk voor de schade die KIN als gevolg van haar tekortkoming heeft geleden. Het hof neemt als onvoldoende betwist aan dat de door KIN betaalde ƒ 2.137.018 voor de verrichte werkzaamheden voor haar geen waarde had gehad en merkt dit bedrag aan als schade. Cap Gemini wordt veroordeeld dit bedrag, vermeerderd met wettelijke rente, te vergoeden. Omdat aannemelijk is dat KIN daarnaast verdere schade heeft geleden maar deze nog onvoldoende is toegelicht om direct te kunnen begroten, wordt Cap Gemini ook veroordeeld tot vergoeding van die verdere schade, op te maken bij staat. Het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en Cap Gemini wordt tevens in de proceskosten van beide instanties veroordeeld.

2.3 Bij tussenarrest van 10 september 1998 heeft het hof vragen aan de deskundigen voorgelegd. De deskundigen hebben daarop geantwoord als in voormeld rapport opgenomen. Het hof neemt deze antwoorden en de daaraan ten grondslag gelegde redengeving voor zover hier aan de orde komend als de zijne over. Hetgeen CAP daartegenover heeft gesteld moet als te vaag en onvoldoende toegelicht worden verworpen. Het hof merkt nog op dat het -negatieve- antwoord (nummer 7) van de deskundigen op vraag 6, anders dan CAP kennelijk aanneemt, uitdrukkelijk betrekking heeft op "een stand-alone omgeving". Ook indien men -met CAP- uit gaat van een "bundel" van "localised" en "customised" nationale systemen, neemt dat niet weg dat enerzijds het in München gepresenteerde systeem ook als "stand-alone" op 1 juni 1987 niet gereed was en dat anderzijds het correct functioneren van dat systeem in München als onderdeel van die "bundel" van belang was voor een volledige nakoming van CAP's verplichtingen: het goed functioneren van het geheel. Het hof komt hierop nog terug.

Het hof heeft als vraag 6 aan de deskundigen de vraag voorgelegd of het systeem op 1 juni 1987 gereed was voor invoering in München.

De deskundigen beantwoorden deze vraag in hun rapport als vraag 7. Zij merken op dat de status van het systeem op het moment van invoering in München hoogstens op het niveau van een "Beta-release" lag en dan nog alleen voor een 'stand-alone' omgeving, hetgeen -volgens de deskundigen- wil zeggen dat het systeem absoluut nog niet rijp was om in productie te gaan. Functioneel was het systeem grotendeels gereed, maar operationeel was het niet gereed.

Dat CAP de vrees uit dat de deskundigen voor de beantwoording van deze vraag het systeem in München mede hebben getoetst aan niet gespecificeerde criteria, neemt niet weg dat CAP aanvaardt, althans onvoldoende bestrijdt, dat na 1 juni 1987 nog 1 tot 2 manmaanden nodig waren om de functionele tekortkomingen en 3 tot 6 manmaanden om de operationele tekortkomingen van het systeem te verhelpen. Daarmee is zij tekort geschoten jegens KIN.

Gelet op de toezegging die CAP op 22 april 1987 heeft gedaan en de ingebrekestelling van KIN van 6 mei 1987, is dan de conclusie gerechtvaardigd dat CAP op 1 juni 1987 in verzuim was ten aanzien van haar verplichting het systeem op die dag gebruiksgereed te hebben voor invoering in München.

2.4 Naar aanleiding van de daarmee vaststaande tekortkoming van CAP en ter voldoening aan art. 11.4 van de Cosso-voorwaarden, heeft KIN bij brief van 15 juni 1987 de overeenkomst beëindigd en jegens CAP aanspraak gemaakt op vergoeding van geleden en nog te lijden schade.

2.5 Ten aanzien van de ernst van de tekortkoming overweegt het hof nog het volgende. Partijen zijn in 1985 overeengekomen dat CAP aan KIN een systeem zou leveren dat voldeed aan -uiteindelijk- de FUSP, het GBH en nog eens 30 wijzigingen, en dat op een aantal plaatsen in Europa kon worden gebruikt. De oorspronkelijk voorziene opleveringsdatum voor de programmatuur was 1 augustus 1985. Zoals vastgesteld functioneerde het systeem op 1 juni 1987 niet voor de vestiging München; een inspanning van van 3 tot 6 manmaanden moest nog worden geleverd. De invoering van een goed werkend systeem in München zou tevens een belangrijke stap zijn op weg naar de invoering in de overige landen, als overeengekomen. Voor de implementatie in die andere landen waren nog zeer aanzienlijke inspanningen vereist (antwoord van de deskundigen op vraag 3). Ter zake van het gebrek aan functionaliteit alsmede operationaliteit, zowel 'stand-alone' als 'multi-site', menen de deskundigen dat CAP een ernstig verwijt treft (antwoord op vraag 5). Voorts menen de deskundigen dat -ook naar de normen die toentertijd golden- bij deze opdracht tegen ongeveer alle basisregels van projectmanagement is gezondigd. Mede op grond hiervan moet de tekortkoming als ernstig worden aangemerkt.

2.9 In aanmerking genomen:

- de wijze van totstandkoming van de voorwaarden en het daarin vervatte exoneratiebeding,

- de verhouding tussen partijen en in het bijzonder KIN's afhankelijkheid van de deskundigheid van CAP,

- het belang dat KIN bij de overeengekomen prestatie had en

- de ernst van de tekortkoming,

is het hof van oordeel dat het beroep van CAP op de in de Cosso-voorwaarden opgenomen exoneratieclausule naar regels van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

2.10 Op grond van het hiervoor overwogene treffen de principale grieven 3 en 4 ook voor het overige doel. Bij verdere bespreking van deze en de overige grieven heeft KIN derhalve geen belang meer.

Daardoor is de voorwaarde vervuld waaronder CAP haar enige incidentele grief heeft geformuleerd. CAP bepleit met die grief -kort gezegd- dat zij geen wanprestatie heeft gepleegd. De incidentele grief wordt verworpen op grond van hetgeen het hof hiervoor onder 2.1 - 2.5 heeft overwogen.

Het gevolg van een en ander is dat CAP aansprakelijk is voor de schade die KIN heeft geleden ten gevolge van de tekortkoming van CAP. Het bestreden vonnis van de rechtbank kan daarom niet in stand blijven.

2.12 De schadevergoeding die KIN vordert, bestaat uit twee onderdelen, te weten het bedrag dat KIN aan CAP heeft voldaan voor de werkzaamheden die deze voor haar heeft verricht, en de verdere schade.

Als gesteld en niet (voldoende) betwist moet worden aangenomen dat hetgeen KIN aan CAP heeft voldaan ter zake van de werkzaamheden voor KIN geen waarde heeft gehad. Daarom is hetgeen KIN aan CAP heeft voldaan, te beschouwen als schade ten gevolge van de tekortkoming van CAP, zodat KIN's vordering in zoverre op de primaire grondslag toewijsbaar is. Deze schade dient CAP te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover als gevorderd. De subsidiair gevorderde ontbinding behoeft geen beoordeling.

Aannemelijk is dat KIN nog verdere schade heeft geleden ten gevolge van de tekortkoming van CAP. Omdat de toelichting van die schade te summier is om daarop thans een oordeel te gronden, acht het hof een schadestaatprocedure de aangewezen weg.