28 mei 2026,
Consumenten ontbinden overeenkomst voor internet, televisie en mobiele telefonie rechtsgeldig; geen waardevergoeding wegens oneerlijke handelspraktijk
Rb. Amsterdam 28 mei 2026, IT 5378; ECLI:NL:RBAMS:2026:5546 ([eisers] tegen [gedaagde]). Twee consumenten sloten tijdens een huisbezoek met een ICT-dienstverlener een overeenkomst voor een pakket bestaande uit internet, televisie en twee mobiele aansluitingen. Omdat de overeenkomst buiten de verkoopruimte was gesloten, moest de handelaar vóór het sluiten daarvan op duidelijke en begrijpelijke wijze informatie verstrekken over onder meer het recht van ontbinding, de voorwaarden en termijn daarvoor en de wijze waarop dit recht kon worden uitgeoefend. In de overeenkomst was hierover niets opgenomen. De handelaar kon bovendien niet aantonen dat hij deze informatie mondeling had verstrekt of dat de consumenten vóór het sluiten van de overeenkomst de algemene voorwaarden hadden kunnen raadplegen. De wettelijke ontbindingstermijn van veertien dagen werd daarom op grond van artikel 6:230o lid 2 BW met twaalf maanden verlengd. De consumenten hadden de overeenkomst op 22 november 2022, achttien dagen nadat zij was gesloten, rechtsgeldig ontbonden. De kantonrechter kwam daardoor niet meer toe aan hun beroep op vernietiging van de overeenkomst.
Omdat de handelaar niet aan zijn informatieplicht over het ontbindingsrecht had voldaan, waren de consumenten op grond van artikel 6:230s lid 5 BW geen kosten verschuldigd voor de diensten die tot aan de ontbinding waren verricht. De betalingen die zij na de ontbinding hadden gedaan, waren op grond van artikel 6:203 BW onverschuldigd betaald. De handelaar kon evenmin aanspraak maken op een vergoeding voor de waarde van zijn niet ongedaan te maken prestaties op grond van artikel 6:210 lid 2 BW. Hij had essentiële informatie over de aard en uitvoering van het pakket weggelaten, waardoor de consumenten niet wisten dat hij op eigen naam overeenkomsten met andere aanbieders zou sluiten en zij de regie over de diensten zouden verliezen. Daarnaast had hij hen niet op het ontbindingsrecht gewezen en de tijdige ontbinding vervolgens niet geaccepteerd. Dit vormde zowel een misleidende omissie als handelen in strijd met de professionele toewijding en daarmee een oneerlijke handelspraktijk. De kantonrechter achtte het onder deze omstandigheden niet redelijk om een waardevergoeding toe te kennen. De handelaar moet € 2.640 aan abonnementsgelden terugbetalen en € 648,10 aan schadevergoeding betalen voor het verwijderen van software en het aanschaffen van nieuwe telefoonnummers. De gevorderde kosten voor extra mobiele data werden wegens onvoldoende onderbouwing afgewezen.
De gevolgen van de ontbinding
4.5.
Op grond van artikel 6:230s lid 5 BW draagt de consument geen kosten voor de uitvoering van diensten die zijn verleend tijdens de ontbindingstermijn als de handelaar heeft nagelaten de informatie over het ontbindingsrecht te verstrekken. Dat betekent dat [eisers] tot aan de ontbinding geen kosten aan [gedaagde] verschuldigd is en dat hij aldus recht heeft op teruggave van de betaalde gelden tot de datum van ontbinding.
4.6.
Voor zover [eisers] na de ontbindingsdatum nog betalingen aan [gedaagde] heeft verricht, heeft hij deze zonder rechtsgrond en aldus onverschuldigd aan [gedaagde] betaald. [eisers] heeft op grond van artikel 6:203 BW dan ook recht op teruggave daarvan.
4.7.
Niet in geschil is dat [eisers] in totaal € 2.640,00 aan abonnementsgelden aan [gedaagde] heeft betaald, zodat dit bedrag in beginsel moet worden terugbetaald.
4.8.
[gedaagde] heeft op zijn beurt echter aangevoerd dat hij recht heeft op teruggave van de door hem geleverde diensten. Omdat de geleverde diensten niet ongedaan kunnen worden gemaakt, maakt hij aanspraak op een vergoeding van de waarde van de door hem geleverde prestaties op grond van artikel 6:210 lid 2 BW. De kantonrechter overweegt dat [gedaagde] volgens de Hoge Raad d.d. 4 oktober 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1366) slechts aanspraak kan maken op een vergoeding van de waarde van de prestatie op het ogenblik van ontvangst door de consument binnen de door art. 6:210 lid 2 BW omschreven grenzen. Tot die grenzen behoort dat aanspraak op vergoeding alleen bestaat ‘voor zover dit redelijk is’. Naar het oordeel van de kantonrechter is het in dit geval niet redelijk om aan [gedaagde] een vergoeding toe te kennen nu er sprake is van een oneerlijke handelspraktijk. De kantonrechter ligt dat hierna toe.
4.9.
Op grond van artikel 6:193b BW is een handelspraktijk onder meer oneerlijk indien een handelaar handelt in strijd met de vereisten van professionele toewijding en het vermogen van de gemiddelde consument om een geïnformeerd besluit te nemen merkbaar is beperkt of kan worden beperkt. Een handelspraktijk is verder in het bijzonder oneerlijk als er sprake is van misleiding. Dat is het geval wanneer informatie wordt verstrekt die feitelijk onjuist is of die de gemiddelde consument misleidt of kan misleiden, al dan niet door de algemene presentatie van de informatie (artikel 6:193c BW). Ook is het misleidend wanneer essentiële informatie die de gemiddelde consument nodig heeft om een besluit te nemen wordt weggelaten (een misleidende omissie, artikel 6:193d BW).
4.10.
Volgens [eisers] heeft [gedaagde] bij het sluiten van de overeenkomst slechts in algemene bewoordingen aangegeven dat hij een totaalpakket kon aanbieden voor al zijn IT- apparaten. [gedaagde] heeft weliswaar gesteld dat hij zijn diensten bij het sluiten van de overeenkomst mondeling aan [eisers] heeft toegelicht, maar hij heeft nagelaten dat tegenover de betwisting van [eisers] aan te tonen, zodat dat niet is komen vast te staan. De overeenkomst bevat slechts de bewoordingen ‘1x Internet Compleet – 1 x TV – 2 x Mobiel’. Naar het oordeel van de kantonrechter is het voor een gemiddeld consument met deze informatie niet duidelijk welke diensten er precies worden afgenomen. [eisers] kon dan ook niet weten dat [gedaagde] op zijn eigen naam nieuwe overeenkomsten met aanbieders zou afsluiten en dat [eisers] daardoor geen regie meer had over deze diensten. [gedaagde] heeft daardoor essentiële informatie weggelaten die [eisers] nodig had om een besluit te nemen, hetgeen een misleidende omissie is.
4.11.
Vervolgens heeft [gedaagde] [eisers] ten onrechte niet gewezen op het recht op ontbinding van de overeenkomst en daarna de ontbinding van de overeenkomst door [eisers] niet geaccepteerd en hem gehouden aan verdere nakoming van de overeenkomst. Hierdoor heeft [gedaagde] in strijd met de professionele toewijding gehandeld, hetgeen ook een oneerlijke handelspraktijk is.
4.12.
Artikel 13 van de Richtlijn 2005/29/EG Oneerlijke Handelspraktijken bepaalt dat de lidstaten de sancties vaststellen die van toepassing zijn op schendingen van de ter uitvoering van de richtlijn vastgestelde nationale bepalingen en alle maatregelen treffen die nodig zijn voor de toepassing van deze sancties. Deze sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend zijn, zodat de handelaar wordt aangezet zijn onjuiste werkwijze aan te passen.
4.13.
[gedaagde] is al jaren een professionele handelaar op het gebied van IT en wordt geacht de regels van het consumentenrecht toe te passen. Daarin is hij ernstig tekort gekomen. Herhaling hiervan moet voorkomen worden. De kantonrechter is daarom van oordeel dat het in onderhavig geval niet redelijk is om aan [gedaagde] een vergoeding toe te kennen voor zijn geleverde diensten. Dat [eisers] hierdoor gratis gebruik heeft kunnen maken van internet, tv en telefonie, maakt dit oordeel niet anders. Dit betekent dat [gedaagde] de abonnementsgelden van in totaal € 2.640,00 aan [eisers] moet terugbetalen. De vordering is in zoverre toewijsbaar.