Gepubliceerd op vrijdag 28 augustus 2026
IT 5476
Rechtbank Amsterdam ||
8 jul 2026,
Rechtbank Amsterdam 8 jul 2026,, IT 5476; ECLI:NL:RBAMS:2026:7178 ([eiser] tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/contractuele-klachttermijn-van-30-dagen-staat-beroep-op-gebreken-in-fitnessapp-in-de-weg

Contractuele klachttermijn van 30 dagen staat beroep op gebreken in fitnessapp in de weg

Rb. Amsterdam 8 juli 2026, IT 5476; ECLI:NL:RBAMS:2026:7178 ([eiser] tegen [gedaagde]). De vraag die in deze zaak centraal staat, is of [gedaagde] de openstaande facturen voor de ontwikkeling van een fitnessapp moet betalen, ondanks zijn stelling dat de app gebrekkig is en [eiser] hem bij het sluiten van de overeenkomst heeft misleid over zijn expertise. Partijen sloten op 22 juni 2024 een overeenkomst van opdracht voor de ontwikkeling van de app. De overeengekomen prijs bedroeg € 40.000 exclusief btw, waarop [eiser] een korting van € 10.000 gaf in ruil voor 10% van de aandelen in de onderneming van [gedaagde]. De helft van de prijs werd vooraf betaald en de andere helft was bij oplevering verschuldigd. De overeenkomst bevatte daarnaast een klachttermijn van 30 dagen. De app werd in december 2024 in gebruik genomen en [gedaagde] liet op 14 januari 2025 weten dat [eiser] de tweede factuur kon sturen. Die factuur bleef onbetaald. Nadat de aandelenoverdracht uitbleef, bracht [eiser] ook het eerder verleende kortingsbedrag in rekening en vorderde hij in totaal € 30.250. [gedaagde] stelde daartegenover dat de app niet aan de afgesproken functionaliteiten voldeed en dat [eiser] zich ten onrechte als specialist in generatieve kunstmatige intelligentie en ervaren softwareontwikkelaar had gepresenteerd. Hij vorderde daarom ontbinding of vernietiging van de overeenkomst, terugbetaling van € 18.150 en schadevergoeding. 

De rechtbank stelt vast dat de app uiterlijk op 14 januari 2025 was opgeleverd. Dat de app volgens [gedaagde] gebreken vertoonde, staat aan oplevering op zichzelf niet in de weg. Ook verviel de korting van € 10.000, omdat geen bindende afspraak over de aandelenoverdracht tot stand kwam. Het beroep van [gedaagde] op wanprestatie slaagt vervolgens niet. Vanaf uiterlijk 14 januari 2025 liep de contractuele klachttermijn van 30 dagen, terwijl [gedaagde] pas op 6 maart 2025 schriftelijk over de functionaliteiten klaagde. Hij heeft niet aangetoond dat hij eerder tijdig klaagde. De rechtbank laat het klachtbeding in stand. [gedaagde] is geen consument en kan geen beroep doen op reflexwerking van de zwarte en grijze lijst van art. 6:236 en 6:237 BW. Ook heeft hij onvoldoende onderbouwd dat een klachttermijn van 30 dagen in deze omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Zijn beroep op dwaling en bedrog slaagt evenmin. [gedaagde] heeft niet bewezen dat [eiser] niet beschikte over de kennis en ervaring waarmee hij zich presenteerde; problemen tijdens de uitvoering van het project zijn daarvoor onvoldoende. De rechtbank wijst daarom de tegenvorderingen van [gedaagde] af en veroordeelt hem tot betaling van € 30.250 aan hoofdsom en € 1.451,93 aan tot 8 september 2025 opgebouwde wettelijke handelsrente, vermeerderd met verdere handelsrente. Daarnaast moet hij € 1.077,50 aan buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten in conventie en reconventie betalen. 

5.18. Gelet op al het voorgaande wijst de rechtbank de vorderingen van [gedaagde] af en is [gedaagde] gehouden om de openstaande facturen aan [eiser] te betalen. De rechtbank wijst daarom de vordering van [eiser] tot betaling van € 30.250,- toe. De hierover gevorderde wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW wordt toegewezen, omdat het hier gaat om een handelsovereenkomst, niet in geschil is dat [gedaagde] de twee facturen waar het om gaat niet tijdig heeft betaald en [gedaagde] op dit punt geen zelfstandig verweer heeft gevoerd.