5 jun 2026,
EVR-registratie blijft in stand ondanks verslechterde financiële situatie
Rb. Den Haag 5 juni 2026, IT 5505; ECLI:NL:RBDHA:2026:21760 ([eiseres] tegen Klaverblad). Een zelfstandig letselschadebehandelaar vordert in kort geding verwijdering van haar persoonsgegevens uit het Extern Verwijzingsregister (EVR), het Intern Verwijzingsregister (IVR) en overige schaderegisters en ongedaanmaking van de melding bij het fraudeloket van het Centrum voor Bestrijding van Verzekeringscriminaliteit (CBV). Klaverblad had de registraties aangebracht nadat was gebleken dat eiseres bij een integriteitsonderzoek voorafgaand aan een overeenkomst van opdracht haar eerdere betrokkenheid bij frauderegistraties niet had gemeld. Over de oorspronkelijke rechtmatigheid van die registraties was al eerder geprocedeerd: de voorzieningenrechter wees haar vorderingen in 2024 af en het hof bekrachtigde dat vonnis in 2025. In deze nieuwe procedure kan daarom niet opnieuw worden beoordeeld of de registraties destijds terecht zijn aangebracht, maar wel of de door eiseres gestelde gewijzigde omstandigheden maken dat handhaving daarvan inmiddels disproportioneel is. Voor de registraties anders dan het EVR en voor de CBV-melding ontbreekt volgens de voorzieningenrechter spoedeisend belang, omdat niet is gesteld of gebleken dat juist die registraties haar werkzaamheden of inkomen belemmeren. De inhoudelijke beoordeling beperkt zich daarom tot de EVR-registratie.
De voorzieningenrechter oordeelt dat Klaverblad nog steeds een gerechtvaardigd belang heeft bij handhaving van de EVR-registratie, die onderdeel is van het Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen en is gericht op bescherming van de veiligheid en integriteit van de financiële sector en fraudebestrijding. De gestelde gewijzigde financiële omstandigheden zijn onvoldoende om te oordelen dat de registratie inmiddels disproportioneel is. Hoewel uit de stukken blijkt dat sinds de registraties schulden en betalingsachterstanden zijn ontstaan, is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de inkomensdaling uitsluitend door de EVR-registratie is veroorzaakt. Daarbij weegt mee dat eiseres ook van 2018 tot 2022 in het EVR stond geregistreerd zonder dat is gesteld of gebleken dat zij daardoor toen problemen bij haar werkzaamheden ondervond, en dat onvoldoende is gebleken dat zij niet op andere wijze in haar inkomen kan voorzien. De voorzieningenrechter acht de registratieduur van vijf jaar daarom niet disproportioneel geworden en wijst de vorderingen af. Eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten van € 2.101; een veroordeling in de werkelijke proceskosten wordt afgewezen, omdat geen sprake is van misbruik van procesrecht.
4.1.
Het meest verstrekkende verweer van Klaverblad is dat [eiseres] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vorderingen, omdat die vorderingen gelijkluidend zijn aan de vorderingen waarop reeds door de voorzieningenrechter van deze rechtbank in 2024 en het Gerechtshof Den Haag in 2025 is beslist. De voorzieningenrechter volgt Klaverblad niet in dit verweer. In dit kort geding kan [eiseres] weliswaar niet meer aan de orde stellen of de registraties in de registers en de melding bij het CBV terecht zijn gedaan, maar wel kan beoordeeld worden of er op dit moment reden bestaat om de registraties en de melding ongedaan te maken. [eiseres] stelt in dit verband dat de registraties tot gevolg hebben dat haar huidige financiële situatie dusdanig nijpend is dat zij afstevent op een persoonlijk faillissement. Ook als juist is dat de drastische daling van haar inkomen al tijdens de vorige kortgedingprocedure voor [eiseres] kenbaar was en dit ook is meegewogen in het eindoordeel van het hof, neemt niet weg dat de situatie nu zo precair kan zijn dat dit ongedaanmaking van de registraties en de melding vanwege de disproportionaliteit daarvan rechtvaardigt. [eiseres] kan dan ook in haar vorderingen worden ontvangen.
4.2.
De rechtbank stelt voorop dat uit de stellingen van [eiseres] volgt dat zij vooral (spoedeisend) belang heeft bij verwijdering van de registratie in het EVR, omdat die registratie volgens haar tot gevolg heeft dat haar inkomsten nagenoeg zijn opgedroogd. Niet gesteld of gebleken is dat ook de overige registraties en de melding bij het CBV haar belemmeren in het uitvoeren van haar werkzaamheden en het vergaren van inkomsten. Bij verwijdering of ongedaanmaking daarvan heeft zij dan ook geen spoedeisend belang. Gelet hierop zal de voorzieningenrechter enkel beoordelen of de registratie in het EVR nu nog proportioneel is.
4.3.
Onbetwist is dat Klaverblad een gerechtvaardigd belang heeft bij opname van de persoonsgegevens van [eiseres] in de registers en handhaving daarvan. Het incidentenregister en het EVR maken onderdeel uit van het Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen (“IFI”). Het doel van dat systeem is de waarborging van de veiligheid en integriteit van de financiële sector en de bestrijding van fraude en het beoogt dat financiële instellingen een goed geïnformeerde beslissing kunnen nemen over een aanvraag. Door het plaatsen van een registratie kan Klaverblad aldus collega-verzekeraars waarschuwen voor niet integer gedrag van in dit geval [eiseres] . Dat belang geldt, mede in het licht van wat het hof heeft overwogen over de duur van de registratie in het EVR (zie 2.4), onverminderd.
4.4.
De gestelde gewijzigde privésituatie van [eiseres] dwingt naar het oordeel van de voorzieningenrechter nu niet tot verwijdering van de registratie of het verkorten van de registratieduur. Onvoldoende aannemelijk is dat de huidige financiële situatie van [eiseres] (uitsluitend) te wijten is aan de EVR-registratie. Uit de door haar overgelegde stukken blijkt weliswaar dat sinds de registraties schulden en (recent) betalingsachterstanden zijn ontstaan, maar dat dit komt door een inkomstenterugval die is veroorzaakt door de registratie heeft [eiseres] onvoldoende aannemelijk gemaakt. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat [eiseres] ook al eerder (van 2018 tot 2022) in het EVR stond geregistreerd. Destijds was zij ook al actief als zelfstandig letselschadebehandelaar. Niet gesteld of gebleken is dat zij toen problemen heeft ondervonden door die registratie. Over die periode is geen enkele informatie verstrekt. Daardoor is ook onduidelijk welke waarde moet worden toegekend aan de omzet die in 2023 door [eiseres] met haar onderneming is behaald. Klaverblad heeft nog erop gewezen dat uit de door [eiseres] overgelegde stukken blijkt dat zij in laatstgenoemd jaar bijna twee ton euro aan privé-onttrekkingen heeft gedaan uit haar onderneming die kennelijk niet zijn aangewend aan het betalen van belastingen.
Bovendien is onvoldoende gebleken dat [eiseres] niet op andere wijze in een inkomen kan voorzien. Terecht heeft Klaverblad opgemerkt dat er genoeg banen zijn waarbij de registraties niet hoeven te worden gemeld. Dat het niet kunnen krijgen van een arbeidsongeschikt-heidsverzekering het verrichten van andere werkzaamheden bemoeilijkt, acht de voorzieningenrechter niet overtuigend. Voor het verrichten van werkzaamheden in loondienst zal zo’n verzekering in de regel immers niet nodig zijn. Bij deze stand van zaken kan niet worden aangenomen dat de registratie voor de duur van vijf jaar disproportioneel is geworden.
4.5.
De slotsom is dan ook dat de vorderingen van [eiseres] worden afgewezen.