Gepubliceerd op maandag 30 maart 2026
IT 5162
Rechtbank Amsterdam ||
19 mrt 2026
Rechtbank Amsterdam 19 mrt 2026, IT 5162; ECLI:NL:RBAMS:2026:2855 ([eiser] tegen ING Bank), https://www.itenrecht.nl/artikelen/fraudeverdenking-rechtvaardigt-bankmaatregelen-en-registratie-persoonsgegevens

Fraudeverdenking rechtvaardigt bankmaatregelen en registratie persoonsgegevens

Rb. Amsterdam 19 maart 2026, IT 5162; ECLI:NL:RBAMS:2026:2855 ([eiser] tegen ING Bank). In dit kort geding staat de vraag centraal of ING Bank gerechtigd was de bankrelatie met [eiser] te beëindigen en diens persoonsgegevens te registreren in het interne verwijzingsregister (IVR). [eiser] verzette zich tegen de blokkering van zijn rekening, de beëindiging van de bankrelatie en de IVR-registratie. Aanleiding voor het optreden van de bank was dat [eiser] derden trachtte te overtuigen van het bestaan van niet-bestaande bankrekeningen gekoppeld aan burgerservicenummers en betalingsopdrachten initieerde vanaf dergelijke fictieve rekeningen. ING kwalificeerde dit als (pogingen tot) misleiding en stelde dat het vertrouwen in [eiser] daardoor was geschaad.

De rechter wijst alle vorderingen van [eiser] af. Ten aanzien van het restsaldo oordeelt de rechter dat ING dit wilde uitbetalen, maar dat [eiser] zelf de uitbetaling frustreerde door geen instructies te geven. De IVR-registratie wordt gerechtvaardigd geacht, nu sprake is van een voldoende onderbouwde fraudeverdenking en [eiser] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij hierdoor daadwerkelijk wordt uitgesloten van het bancaire systeem. Ook de vordering tot inzage in interne stukken wordt afgewezen, omdat deze te onbepaald is en neerkomt op een ontoelaatbare ‘fishing expedition’. Voor zover sprake is van een AVG-inzageverzoek, heeft ING reeds aan die verplichting voldaan. De rechter oordeelt bovendien dat [eiser] misbruik van procesrecht heeft gemaakt, onder meer door ongefundeerde stellingen en gebrekkige processtukken. [eiser] wordt daarom veroordeeld tot betaling van (een deel van) de werkelijke proceskosten van ING.

4.9 Uit de toelichting door [eiser] heeft de kantonrechter begrepen dat het spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening erin zou liggen dat [eiser] inzage in ‘alle interne stukken die bij ING Bank over hem bestaan’ nodig heeft voor het opstarten van zijn nieuwe onderneming. Allereerst geldt dat deze vordering te onbepaald is. Niet is voldaan aan het bepaalbaarheidsvereiste van artikel 194 Rv, op grond waarvan van [eiser] mag worden gevergd dat hij stelt waarom een redelijke grond bestaat dat die ander over die informatie beschikt en dat hij voldoende concreet vermeldt waarom die informatie relevant is voor zijn rechtspositie. Artikel 195 Rv – analoog aan een verzoek op grond van artikel 196 Rv – leent zich niet voor zogenaamde ‘fishing expedions’. [eiser] heeft zijn vordering voorts onvoldoende onderbouwd.