Gepubliceerd op vrijdag 7 augustus 2026
IT 5405
Rechtbank Noord-Holland ||
8 apr 2026,
Rechtbank Noord-Holland 8 apr 2026,, IT 5405; ECLI:NL:RBNHO:2026:8315 (de curator tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/geen-aansprakelijkheid-voor-faillissementstekort-wel-terugbetaling-van-onrechtmatige-onttrekkingen-en-rekening-courantschuld

Geen aansprakelijkheid voor faillissementstekort, wel terugbetaling van onrechtmatige onttrekkingen en rekening-courantschuld

Rb. Noord-Holland 8 april 2026, IT 5405; ECLI:NL:RBNHO:2026:8315 (de curator tegen [gedaagde]). De curator vorderde dat de enige bestuurder van de failliete vennootschap op grond van artikel 2:248 BW aansprakelijk zou worden gehouden voor het faillissementstekort. Hij stelde onder meer dat de bestuurder de administratieplicht van artikel 2:10 BW had geschonden en zonder rechtsgrond in totaal € 15.440 aan zichzelf en een gelieerde vennootschap had betaald. De rechtbank wijst de primaire vorderingen af. Hoewel de bestuurder lange tijd slechts een beperkt deel van de administratie aan de curator had verstrekt, bleek dat de administratie in Exact Online werd bijgehouden. De bestuurder had Exact uiteindelijk verzocht om de curator toegang tot deze digitale administratie te geven. Daarmee had hij voldaan aan zijn verplichting om de administratie voor de curator toegankelijk te maken. Nadat die toegang was aangeboden, rustte op de curator de eigen verantwoordelijkheid om de digitale administratie veilig te stellen, bijvoorbeeld door daarvan een kopie te maken. De curator had de door Exact aangeboden toegang op zijn eigen naam geweigerd en kon daarom niet uitsluitend uit het ontbreken van een door de bestuurder aangeleverde kopie afleiden dat de administratieplicht was geschonden. Pas na onderzoek van de online administratie kon worden vastgesteld of aan artikel 2:10 BW was voldaan. Het bewijsvermoeden van artikel 2:248 lid 2 BW was daarom niet van toepassing. Ook had de curator onvoldoende onderbouwd dat de betalingen van € 15.440 een belangrijke oorzaak van het faillissement waren.

Ook de subsidiaire vorderingen op grond van artikel 2:9 BW en artikel 6:162 BW, die waren gericht op vergoeding van het volledige boedeltekort, worden afgewezen. De curator had onvoldoende toegelicht dat de aan de bestuurder verweten gedragingen het faillissement of het volledige boedeltekort hadden veroorzaakt. De meer subsidiaire vorderingen worden gedeeltelijk toegewezen. Nadat het faillissement al was aangevraagd, had de bestuurder zonder rechtsgrond € 4.310 aan zichzelf en € 11.130 aan Dolfijn, een vennootschap waarvan hij eveneens enig aandeelhouder en bestuurder was, betaald. Omdat geen sprake was van betalingen aan schuldeisers, vielen deze onttrekkingen niet onder het leerstuk van de selectieve betaling. De bestuurder had echter de schuldeisers benadeeld en zichzelf en de gelieerde vennootschap zonder rechtvaardiging bevoordeeld, terwijl hij wist dat het faillissement was aangevraagd. Daarvan kon hem als bestuurder een ernstig verwijt worden gemaakt. Hij moet daarom de door de boedel geleden schade van € 15.440 vergoeden, vermeerderd met wettelijke rente. Daarnaast moet hij de niet-betwiste rekening-courantschuld van € 59.118 terugbetalen, vermeerderd met de contractuele rente van 1,3% vanaf 1 januari 2023 tot en met 23 september 2024 en vervolgens met de wettelijke rente. Het verzet wordt gegrond verklaard en het eerdere verstekvonnis wordt ten aanzien van de bestuurder grotendeels vernietigd. De veroordelingen in de beslag- en proceskosten van de verstekprocedure blijven in stand, omdat de bestuurder pas na de dagvaarding kenbaar had gemaakt dat de administratie in Exact Online stond. Daarnaast wordt hij veroordeeld in € 2.240 aan proceskosten van de verzetprocedure.

4.2.

De curator legt aan zijn primaire vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] aansprakelijk is voor het tekort in het faillissement omdat [gedaagde] als bestuurder van [bedrijf 1] zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is. [gedaagde] is daarom jegens de boedel aansprakelijk voor het bedrag van de schulden van [bedrijf 1] voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan. De curator maakt [gedaagde] twee verwijten die volgens hem maken dat sprake is van onbehoorlijk bestuur: 1) er is geen administratie bijgehouden, 2) [gedaagde] heeft onrechtmatig € 15.440,- aan het vermogen van [bedrijf 1] onttrokken, dan wel die betalingen moeten worden aangemerkt als selectieve betalingen.

4.13.

Uit het voorgaande volgt dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] als bestuurder van [bedrijf 1] niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit artikel 2:10 BW. Dat betekent dat ook niet is komen vast te staan dat [gedaagde] om die reden zijn taak als bestuurder onbehoorlijk heeft vervuld. Het wettelijk bewijsvermoeden10, waar de curator zich op beroept, dat de onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement van [bedrijf 1] , gaat daarom niet op. Het eerste verwijt van de curator aan [gedaagde] slaagt dus niet.