IT 3204

Geen rectificatie gepubliceerd onderzoeksrapport seksueel misbruik Jehova's Getuigen

Hof Arnhem-Leeuwarden 4 augustus 2020, IEF 19357, IT 3204; ECLI:NL:GHARL:2020:6085 (Jehova’s Getuigen tegen Universiteit Utrecht en de Nederlandse Staat) Publicatieverbod. Rectificatie. De Universiteit heeft op verzoek van de Minister en het WODC een onderzoeksrapport opgesteld met als titel “Seksueel misbruik en aangiftebereidheid binnen de gemeenschap van de Jehova’s Getuigen”. De Jehovah’s Getuigen hebben een publicatieverbod gevorderd van de Universiteit en de Staat. De vorderingen werden afgewezen door de kortgedingrechter. De Minister heeft het onderzoeksrapport daarna aan de Tweede Kamer gestuurd en het rapport is gepubliceerd op www.rijksoverheid.nl en op www.wodc.nl. In hoger beroep vorderen de Jehovah’s Getuigen, na vernietiging van de uitspraak van de kortgedingrechter, van de Staat en de Universiteit verwijdering van het rapport van deze websites en van de Staat het plaatsen van een rectificatie op deze sites. Daarnaast wordt gevorderd de Minister te gelasten een brief te sturen aan de Tweede Kamer met rectificerende mededelingen over het onderzoeksrapport. De vorderingen worden door het hof afgewezen.

Geen spoedeisend belang in hoger beroep
5.5. […] Niet aannemelijk is dat verwijdering van het rapport van de genoemde sites of het plaatsen van een rectificatie er toe zal leiden dat het parlement het onderwerp niet zal adresseren.

De gevraagde voorzieningen onder II en III zijn bovendien gelet op de inhoud van de gevraagde rectificatie (geen conclusies trekken uit het rapport en geen wetgevende maatregelen nemen) niet aan te merken als ordemaatregelen.

5.6. […] dat appellanten onvoldoende hebben aangevoerd om aan te nemen dat een spoedeisend belang in hoger beroep bestaat. Gelet op de principiële insteek van het hoger beroep (schending van de artikelen 8, 9 en 14 van het EVRM, het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens) ligt een ruimere beoordeling in een bodemprocedure ook bepaald meer voor de hand.

Parlementaire immuniteit
5.10. Het hof is daarom vooralsnog van oordeel dat de vorderingen, zoals die in dit hoger beroep geformuleerd zijn, afstuiten op de parlementaire immuniteit. Appellanten hebben daar onvoldoende tegen ingebracht. Dat het handelen van de Staat in het algemeen onderworpen is aan toetsing aan het EVRM is natuurlijk juist, maar kan niet afdoen aan het oordeel dat deze vorderingen in dit kort geding gelet op de aard daarvan niet toewijsbaar zijn. Dit geldt meer in het bijzonder nog voor vordering II, omdat het zich niet met de staatsrechtelijke verhoudingen verdraagt dat de civiele rechter een Minister gelast een brief te sturen naar de Tweede Kamer, waarin staat wat de Tweede Kamer moet doen of nalaten naar aanleiding van het onderzoeksrapport. Dat geldt ook voor vordering III, waarin de Staat wordt gevraagd een verklaring te geven met die inhoud.

Conclusie ter zake de vorderingen tegen de Staat en tegen de Universiteit
5.11. Uit het voorgaande blijkt dat, nog afgezien van het ontbrekend spoedeisend belang, de vorderingen tegen de Staat in dit hoger beroep niet kunnen worden toegewezen.

5.12. Met de Universiteit is het hof van oordeel dat de vorderingen tegen haar hoe dan ook niet kunnen toegewezen. Alleen de vordering tot verwijdering van het onderzoeksrapport van de websites (vordering I) richt zich tot de Universiteit, terwijl de Universiteit geen zeggenschap over de genoemde websites heeft en een toewijzende vordering dus niet zou kunnen uitvoeren.