29 okt 2025
Geen toerekenbare tekortkoming bij oplevering webshop; openstaande factuur moet wel worden betaald
Rb. Midden-Nederland 29 oktober 2025, IT 5235; ECLI:NL:RBMNE:2025:6381 (Nailbar tegen [onderneming]). De rechtbank oordeelt dat [onderneming] niet toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst met Nailbar B.V. over de bouw van een nieuwe Shopify-webshop. Nailbar voerde aan dat de webshop te laat was opgeleverd, dat data onvolledig waren overgezet, dat prijzen niet juist werden weergegeven, dat een B2B-functie ontbrak en dat de Google-positie van de oude webshop niet was behouden. De rechtbank maakt daarbij een belangrijk onderscheid. Alleen ten aanzien van de opleverdatum staat een tekortkoming vast: partijen hadden afgesproken dat de webshop op 14 december 2023 live zou gaan, maar dat gebeurde pas in april 2024. Die tekortkoming kan [onderneming] echter volgens de rechtbank niet worden toegerekend, omdat het geautomatiseerd overzetten van de data onmogelijk bleek door fouten in de oude webshop van Nailbar. Gelet op de overeengekomen prijs van € 2.999 exclusief btw, de omvang van de oude webshop met ruim 4.000 artikelen, het bericht van TNA dat dit soort Shopify-sets normaliter grotendeels standaardwerk betrof, en het feit dat Nailbar vervolgens zelf is begonnen met het controleren en corrigeren van data in een Excelbestand, mocht Nailbar redelijkerwijs niet verwachten dat [onderneming] alle foutieve data handmatig zou controleren, corrigeren en binnen enkele weken zou overzetten. Ook bestond volgens de rechtbank geen onderzoeksplicht voor [onderneming] om vóór het sluiten van de overeenkomst de oude webshop op zulke fouten te onderzoeken.
De overige door Nailbar gestelde tekortkomingen zijn volgens de rechtbank niet komen vast te staan. Nailbar heeft, ondanks herstelwerkzaamheden en updates van [onderneming] in juni en juli 2024, onvoldoende concreet gemaakt welke gebreken daarna nog bestonden aan de webshop, de prijsweergave of de B2B-functionaliteit. Ook de stelling dat [onderneming] had moeten zorgen voor behoud van de Google-positie van de oude webshop faalt, omdat niet is bewezen dat dat onderdeel van de overeenkomst was; uit de offerte volgde alleen dat data zouden worden overgezet en de lay-out/inrichting van de nieuwe webshop zou worden verzorgd, niet dat redirects of SEO-behoud zouden worden geregeld. Daarmee ontbreekt zowel een grondslag voor een verklaring voor recht wegens tekortkoming als voor een verklaring voor recht dat [onderneming] onrechtmatig heeft gehandeld; Nailbar had ook geen zelfstandige feiten gesteld die buiten de overeenkomst een onrechtmatige daad konden dragen. De gevorderde voorlopige voorziening tot betaling van een voorschot op schadevergoeding en een verwijzing naar de schadestaat worden daarom eveneens afgewezen. In reconventie wordt Nailbar wel veroordeeld tot betaling van de openstaande factuur van € 2.628,79, vermeerderd met wettelijke handelsrente vanaf 1 augustus 2024, omdat vaststaat dat [onderneming] het overeengekomen werk heeft uitgevoerd. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten van [onderneming] worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Nailbar wordt ten slotte veroordeeld in de proceskosten van € 6.859.
Conclusie
3.14.
De conclusie is dat er geen sprake is van een tekortkoming, dan wel een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. De vordering van Nailbar voor een verklaring van recht dat [onderneming] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst wijst de rechtbank daarom af.
[onderneming] heeft niet onrechtmatig gehandeld
3.15.
Zoals hiervoor is overwogen (in overweging 3.14.), stelt de rechtbank vast dat [onderneming] niet (toerekenbaar) tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. Nailbar heeft ook niet gesteld dat [onderneming] handelingen heeft verricht die buiten de overeenkomst vallen waardoor er sprake kan zijn van onrechtmatige handelingen. Nailbar heeft niets meer gesteld dan dat het werk door [onderneming] niet goed is uitgevoerd, maar dit is onvoldoende om een onrechtmatige daad van [onderneming] vast te stellen. De vordering van Nailbar om voor recht te verklaren dat [onderneming] onrechtmatig heeft gehandeld, wijst de rechtbank af.
[onderneming] hoeft geen schade te vergoeden
3.16.
De incidentele vordering van Nailbar tot vergoeding van een voorschot van de schade wijst de rechtbank af. [onderneming] heeft geen onrechtmatige daad gepleegd en is ook niet tekort geschoten in de nakoming van de overeenkomst. Er bestaat daarom geen schadevergoedingsplicht voor [onderneming] . Dit betekent dat de zaak ook niet naar een schadestaatprocedure wordt verwezen.
Nailbar moet de factuur van [onderneming] betalen
3.17.
Als tegeneis vordert [onderneming] betaling van de factuur van in totaal € 2.628,79. Dit is het bedrag van de offerte met aftrek van de aanbetaling van € 1.000,-. Het staat vast dat [onderneming] het werk waarop de offerte ziet heeft uitgevoerd. [onderneming] heeft de lay-out van de nieuwe webshop gemaakt en (voor zover het kon) de data van de oude webshop naar de nieuwe webshop overgezet. Dit betekent dat Nailbar de factuur van [onderneming] voor het werk, € 2.628,79, moet betalen.
3.18.
Over dit bedrag moet Nailbar de wettelijke handelsrente als bedoelt in artikel 6:119a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) betalen omdat er sprake is van een handelsovereenkomst. Op 1 juli 2024 heeft [onderneming] de factuur per e-mail aan Nailbar gestuurd, maar hier staat geen betaaltermijn op. Dit betekent dat gelet op artikel 6:119a lid 2 aanhef en onder a BW een betaaltermijn van 30 dagen geldt. Daarom moet Nailbar vanaf 1 augustus 2024 de wettelijke handelsrente over € 2.628,79 betalen.