Gepubliceerd op donderdag 2 juli 2026
IT 5332
HvJ EU ||
2 jul 2026,
HvJ EU 2 jul 2026,, IT 5332; ECLI:EU:C:2026:497 (MT tegen FSMA), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hvj-eu-artikel-21-marktmisbruikverordening-niet-beperkt-tot-journalisten

HvJ EU: artikel 21 marktmisbruikverordening niet beperkt tot journalisten

HvJ 18 juni 2026, IT&Recht 5332; ECLI:EU:C:2026:497 (MT tegen FSMA). In deze prejudiciële procedure tussen MT en de Belgische toezichthouder FSMA staat de vraag centraal of een politicus zich kan beroepen op de uitzonderingen uit de marktmisbruikrichtlijn en de marktmisbruikverordening wanneer hij voorwetenschap via de media openbaar maakt. Daarbij voert MT aan dat hij met zijn uitlatingen uitsluitend een publiek debat over een kwestie van algemeen belang wilde aanwakkeren. Het Hof van Justitie verduidelijkt hoe het verbod op de openbaarmaking van voorwetenschap moet worden uitgelegd in het licht van de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid, en geeft daarbij richting aan de verhouding tussen marktintegriteit en politieke uitingsvrijheid. Aanleiding voor het geschil vormt een administratieve boete die de Belgische toezichthouder FSMA oplegde aan MT, voormalig Belgisch minister van Overheidsbedrijven en prominent oppositiepoliticus. In mei 2016 verklaarde MT tijdens een radio-interview en tegenover verschillende media dat de Belgische staat op korte termijn een deel van zijn aandelen in Bpost zou verkopen aan het Nederlandse PostNL. Volgens de verwijzende rechter was op dat moment sprake van vertrouwelijke onderhandelingen en bestond een reële kans dat de transactie spoedig zou worden aangekondigd. Naar aanleiding van de uitlatingen werden de beursnoteringen van Bpost tijdelijk stilgelegd en strandden de onderhandelingen over de voorgenomen fusie. De FSMA oordeelde dat MT buiten de normale uitoefening van zijn taken voorwetenschap had openbaar gemaakt en legde hem een administratieve boete op. MT stelde daartegen beroep in en voerde aan dat hij uitsluitend had willen bijdragen aan het publieke debat over de privatisering van een overheidsbedrijf en zich daarom kon beroepen op de bescherming van de vrijheid van meningsuiting. Het Hof stelt voorop dat zowel artikel 3 van Richtlijn 2003/6 als artikel 10 van Verordening 596/2014 een uitzondering bevatten op het verbod om voorwetenschap openbaar te maken wanneer die openbaarmaking plaatsvindt in de normale uitoefening van een dienstbetrekking, beroep of taken. Die uitzondering moet weliswaar strikt worden uitgelegd, maar dat sluit niet uit dat ook een politicus zich daarop kan beroepen. Doorslaggevend is of een voldoende nauwe band bestaat tussen de openbaarmaking en de normale uitoefening van diens taken en of de openbaarmaking strikt noodzakelijk en evenredig is voor de vervulling daarvan. Volgens het Hof kan een prominente oppositiepoliticus in een democratische samenleving een wezenlijke rol vervullen door regeringsbeleid publiekelijk ter discussie te stellen en maatschappelijke onderwerpen onder de aandacht te brengen. Indien een openbaarmaking van voorwetenschap uitsluitend plaatsvindt om een publiek debat over een kwestie van algemeen belang mogelijk te maken, kan die openbaarmaking daarom binnen de normale uitoefening van politieke taken vallen. Dat geldt temeer wanneer het gaat om een voorgenomen privatisering van een belangrijk staatsbedrijf, een onderwerp dat de samenleving rechtstreeks raakt. Het is uiteindelijk aan de nationale rechter om te beoordelen of daarvan in het concrete geval sprake is.

Het Hof gaat vervolgens in op artikel 21 van de marktmisbruikverordening, dat betrekking heeft op de openbaarmaking of verspreiding van informatie in de media. Anders dan de FSMA had betoogd, is deze bepaling volgens het Hof niet uitsluitend bedoeld voor beroepsjournalisten. De formulering "journalistiek of een andere vorm van media-uiting" moet ruim worden uitgelegd. Ook een politicus die via radio, televisie of geschreven media informatie openbaar maakt, kan onder het bereik van deze bepaling vallen. Daarmee bevestigt het Hof dat de bijzondere bescherming van de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting niet uitsluitend toekomt aan journalisten, maar ook relevant kan zijn voor andere personen die deelnemen aan het publieke debat. Daarbij gelden wel duidelijke grenzen. Artikel 21 is slechts van toepassing wanneer degene die de informatie openbaar maakt geen direct of indirect economisch voordeel behaalt en evenmin de bedoeling heeft de markt te misleiden. Volgens het Hof ziet het begrip "voordeel" in deze context uitsluitend op economisch of financieel voordeel. Een eventueel politiek voordeel, zoals electorale winst of versterking van de eigen politieke positie, valt daar niet onder. Ook uit het dossier bleek niet dat MT de bedoeling had de markt te manipuleren. Het Hof benadrukt daarnaast dat de beoordeling steeds moet plaatsvinden tegen de achtergrond van de artikelen 11 en 52 van het Handvest en artikel 10 EVRM. Politieke uitingen over onderwerpen van algemeen belang genieten een bijzonder sterke bescherming. Beperkingen daarop moeten strikt noodzakelijk zijn en proportioneel blijven. De nationale rechter zal daarom onder meer moeten onderzoeken of openbaarmaking van de voorwetenschap daadwerkelijk noodzakelijk was om het publieke debat te voeren, of hetzelfde doel ook langs minder ingrijpende weg had kunnen worden bereikt en of de schade voor de integriteit van de financiële markten opweegt tegen het belang van de vrijheid van meningsuiting. Daarbij spelen ook de mogelijke gevolgen voor beleggers en het vertrouwen in de financiële markten een rol. Het Hof concludeert dat de openbaarmaking van voorwetenschap door een politicus onder omstandigheden kan vallen binnen de normale uitoefening van diens politieke taken en dat artikel 21 van de marktmisbruikverordening ook op dergelijke uitingen van toepassing kan zijn. Of daarvan daadwerkelijk sprake is, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij de nationale rechter moet beoordelen of de openbaarmaking noodzakelijk en evenredig was in het licht van de vrijheid van meningsuiting en de bescherming van de integriteit van de financiële markten.

77. Gelet op alle voorgaande overwegingen luidt het antwoord op de vragen die om een ​​prejudiciële beslissing zijn voorgelegd dat artikel 3, lid a, van Richtlijn 2003/6, artikel 10, lid 1, van Verordening nr. 596/2014 en artikel 21 van die verordening, gelezen in samenhang met de artikelen 11 en 52 van het Handvest, artikel 10 van het EVRM en het gelijkheidsbeginsel, aldus moeten worden uitgelegd dat de openbaarmaking van voorkennis in de media door een politicus, met het oog op het bekritiseren van een lopende transactie betreffende de privatisering van een overheidsbedrijf en het bevorderen van een publiek debat over een kwestie van algemeen belang, kan vallen binnen de normale uitoefening van zijn of haar taken in de zin van artikel 3, lid a, van Richtlijn 2003/6 en artikel 10, lid 1, van Verordening nr. 596/2014, en dat artikel 21 van die verordening van toepassing kan zijn op een dergelijke openbaarmaking, voor zover die openbaarmaking, gelet op de vrijheid van meningsuiting van die politicus, noodzakelijk is voor de uitoefening van die taken. plichten en voldoet aan het proportionaliteitsbeginsel.