30 jun 2026,
HvJ EU: AVG sluit gebruik van onrechtmatig verkregen persoonsgegevens als bewijs niet uit
HvJ EU 18 juni 2026, IT&Recht 5330; ECLI:EU:C:2026:496 (NTH Haustechnik GmbH tegen EM). In deze zaak tussen NTH Haustechnik GmbH en haar voormalige werknemer EM tussen staat de vraag centraal in hoeverre een nationale rechter in een civiele procedure persoonsgegevens mag verwerken en gebruiken die mogelijk in strijd met de AVG zijn verkregen. De zaak ontstond nadat NTH Haustechnik haar voormalige werknemer aansprakelijk stelde voor de gestelde doorverkoop van bedrijfseigendommen via een privéaccount op eBay. De werkgever baseerde zich daarbij op gegevens die waren verkregen door toegang tot dat privéaccount. Volgens de verwijzende Duitse rechter kon niet worden uitgesloten dat deze gegevens op onrechtmatige wijze waren verzameld. Het Hof van Justitie kreeg daarom onder meer de vraag voorgelegd welke eisen de AVG stelt aan het gebruik van dergelijke persoonsgegevens als bewijsmiddel in een gerechtelijke procedure. Het Hof stelt voorop dat de AVG van toepassing kan zijn op de verwerking van persoonsgegevens door rechters wanneer deze gegevens worden opgenomen in een procesdossier of digitaal worden geraadpleegd, opgeslagen of gebruikt. Dat de beoordeling van de toelaatbaarheid van bewijs in beginsel een kwestie van nationaal procesrecht is, neemt niet weg dat een rechter bij de verwerking van persoonsgegevens de AVG moet naleven. Daarbij wijst het Hof erop dat het begrip "verwerking" ruim is en ook ziet op het toevoegen van stukken aan een dossier en het raadplegen daarvan door de rechter, en dat rechterlijke verwerkingen niet onder de uitzonderingen van artikel 2 AVG vallen. Vervolgens bepaalt het Hof welke rechtsgrond geldt voor de verwerking van persoonsgegevens door de rechter. De verwerking van persoonsgegevens door een rechter in het kader van de bewijsvoering is in beginsel gebaseerd op artikel 6 lid 1 onder c AVG. De rechter verwerkt de gegevens namelijk omdat hij op grond van het nationale procesrecht verplicht is de aangevoerde feiten en het aangeboden bewijs te beoordelen. Daarmee maakt het Hof duidelijk dat niet artikel 6 lid 1 onder e AVG (taak van algemeen belang), maar de wettelijke verplichting van de rechter om over de toelaatbaarheid en waardering van bewijs te beslissen de relevante grondslag vormt. In dat kader wijst het Hof erop dat artikel 6 lid 1 onder f AVG (gerechtvaardigd belang) niet de grondslag is voor deze rechterlijke verwerking; de rechter baseert zich in deze context op artikel 6 lid 1 onder c AVG. Artikel 17 lid 3 onder e AVG vormt daarentegen geen zelfstandige grondslag voor verwerking.
Deze bepaling bevat uitsluitend een uitzondering op het recht op gegevenswissing en kan niet dienen als alternatieve rechtmatigheidsgrond naast de limitatieve opsomming van artikel 6 lid 1 AVG. Ten aanzien van de nationale rechtsgrond overweegt het Hof dat de AVG niet verlangt dat iedere situatie waarin persoonsgegevens als bewijs worden gebruikt uitdrukkelijk in formele wetgeving is geregeld. Ook nationale rechtspraak kan een voldoende duidelijke en nauwkeurige rechtsgrond vormen, mits deze voorzienbaar is voor betrokkenen, de omstandigheden en voorwaarden voor het gebruik van persoonsgegevens voldoende afbakent en beantwoordt aan een doelstelling van algemeen belang. Het Hof verbindt dit aan het lex‑certa‑vereiste uit artikel 8 lid 2 en artikel 52 Handvest: de rechtsgrond moet de reikwijdte van de inmenging in het recht op bescherming van persoonsgegevens duidelijk bepalen. Daarbij wordt expliciet aanvaard dat "lidstatelijk recht” in de zin van artikel 6 lid 3 AVG ook vaste nationale rechtspraak omvat, zolang deze duidelijk, nauwkeurig, voorspelbaar en evenredig is. Het Hof gaat vervolgens in op de vraag of persoonsgegevens die mogelijk in strijd met de AVG of met het recht op eerbiediging van het privéleven zijn verkregen, daarom buiten beschouwing moeten blijven. Dat is volgens het Hof niet het geval. De AVG bevat geen algemeen bewijsuitsluitingsbeginsel. Het Unierecht verzet zich er niet tegen dat een nationale rechter dergelijke persoonsgegevens als bewijs gebruikt, ook wanneer de partij die de gegevens heeft verzameld geen gerechtvaardigd belang bij die verwerking heeft dat verder gaat dan het aantonen van de door haar aangevoerde feiten. De waarborgen tegen onevenredige aantasting van privacy en gegevensbescherming liggen in de beginselen van artikel 5 AVG, met name het beginsel van minimale gegevensverwerking (artikel 5 lid 1 onder c AVG), en in de voorwaarden die aan de gekozen rechtsgrond van artikel 6 lid 1 AVG worden gesteld, in dit geval artikel 6 lid 1 onder c in samenhang met lid 3 AVG. Het Hof benadrukt in dat verband dat het recht op bescherming van persoonsgegevens geen absolute gelding heeft en overeenkomstig artikel 52 Handvest moet worden afgewogen tegen andere grondrechten, in het bijzonder het door artikel 47 Handvest gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Wel moet de rechter, voordat deze gegevens aan andere partijen of derden worden verstrekt, beoordelen of de openbaarmaking beperkt blijft tot hetgeen noodzakelijk is voor het doel van de procedure en, waar nodig, passende maatregelen treffen om de aantasting van het recht op bescherming van persoonsgegevens zoveel mogelijk te beperken.
Het Hof onderscheidt daarbij de verwerkingen die de rechter verricht bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van bewijs, bij het nemen van zijn beslissing en bij de betekening of bekendmaking van die beslissing. Met name bij opname van stukken in het dossier en bij bekendmaking van de beslissing moet de rechter nagaan of de gebruikte persoonsgegevens beperkt zijn tot wat noodzakelijk is en zo nodig maatregelen treffen om de inbreuk op de bescherming van persoonsgegevens te verminderen. Ook de informatieplicht uit artikel 13 AVG leidt volgens het Hof niet tot een ander oordeel. Dat een partij of derde de betrokkene niet overeenkomstig artikel 13 AVG heeft geïnformeerd over de gegevensverwerking, verhindert niet dat een rechter deze gegevens in een gerechtelijke procedure gebruikt. Het Hof stelt expliciet dat de AVG de rechter niet op algemene en absolute wijze verbiedt rekening te houden met persoonsgegevens die eerder in strijd met de AVG zijn verwerkt door degene die ze aan hem heeft overgelegd; de rechtmatigheid van de rechterlijke verwerking moet aan de hand van de eigen grondslag en de beginselen van de AVG worden beoordeeld.Ten slotte verduidelijkt het Hof dat rechters bij de verwerking van persoonsgegevens ook rekening moeten houden met persoonsgegevens van derden die geen partij zijn in de procedure. De AVG beschermt ook hun belangen en de rechter moet bij verwerking van hun gegevens de beginselen van de AVG respecteren. Het Unierecht vereist echter niet dat procespartijen zich in de procedure kunnen beroepen op een schending van de AVG jegens deze derden; of dat mogelijk is, behoort tot de nationale procedurele autonomie, mits de nationale regels voldoen aan het gelijkwaardigheids‑ en doeltreffendheidsbeginsel en verenigbaar zijn met artikel 47 Handvest. Met dit arrest verduidelijkt het Hof dat de AVG niet leidt tot een algemeen bewijsverbod voor onrechtmatig verkregen persoonsgegevens. Wel moet iedere verwerking door de rechter zelfstandig aan de AVG worden getoetst en moeten passende waarborgen worden getroffen om de inbreuk op de bescherming van persoonsgegevens zoveel mogelijk te beperken.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
1) Artikel 6, lid 1, eerste alinea, onder c), en lid 3, van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), gelezen in het licht van artikel 8, lid 2, en artikel 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling die, wat de verwerking van persoonsgegevens in het kader van het onderzoek van de feiten en de bewijsvoering door een rechter betreft, enkel bepaalt dat het aan de partijen staat om omstandige en waarheidsgetrouwe feiten aan te voeren en deze rechter verplicht om deze gegevens volledig in aanmerking te nemen, alvorens in voorkomend geval daarover een beoordeling te verrichten, zonder aanwijzingen te bevatten over de omstandigheden waarin en de voorwaarden waaronder de door de partijen aangevoerde feiten en bewijzen die persoonsgegevens bevatten door die rechter kunnen worden gebruikt, voor zover er duidelijke en nauwkeurige nationale rechtspraak bestaat waarvan de toepassing voorspelbaar is, die zelf bepaalt in welke omstandigheden en onder welke voorwaarden de door de partijen aangevoerde feiten en overgelegde bewijzen die persoonsgegevens bevatten door een rechter kunnen worden gebruikt, die beantwoordt aan een doelstelling van algemeen belang en die evenredig is aan dat doel.
2) Artikel 17, lid 3, onder e), van verordening 2016/679 moet aldus worden uitgelegd dat deze bepaling geen alternatieve rechtmatigheidsvoorwaarde stelt waaraan een verwerking kan voldoen om in overeenstemming te zijn met artikel 5, lid 1, onder a), van deze verordening en die verschilt van een van de in artikel 6, lid 1, eerste alinea, ervan opgesomde voorwaarden.
3) Artikel 5, lid 1, onder c), van verordening 2016/679, gelezen in samenhang met artikel 52, lid 1, tweede volzin, van het Handvest, moet aldus worden uitgelegd dat het beginsel van „minimale gegevensverwerking” niet vereist dat een rechter ervoor zorgt dat bij elke door hem verrichte verwerking van persoonsgegevens het evenredigheidsbeginsel wordt geëerbiedigd door zich ervan te vergewissen dat de daarbij verwerkte gegevens geschikt en strikt noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van het met die verwerking nagestreefde doel, en dat de ernst van de inmenging in de grondrechten als gevolg van het gebruik van die gegevens voor de uitvoering van die verwerking in verhouding staat tot het belang dat deze rechter heeft bij het gebruik van die gegevens om die verwerking te verrichten, voor zover is voldaan aan de voorwaarden van artikel 5, lid 1, onder c), van verordening 2016/679.
4) De artikelen 7 en 8 van het Handvest, artikel 5, lid 1, van verordening 2016/679, artikel 6, lid 1, eerste alinea, onder c), van deze verordening, gelezen in samenhang met artikel 6, lid 3, ervan, en het beginsel van „minimale gegevensverwerking” moeten aldus worden uitgelegd dat zij er niet aan in de weg staan dat een nationale rechter bewijzen gebruikt die persoonsgegevens bevatten en die in strijd met het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht op bescherming van persoonsgegevens zijn verkregen door de partij die deze heeft overgelegd, wanneer die partij geen gerechtvaardigd belang bij een dergelijke verwerking heeft dat verder gaat dan het eenvoudigweg aantonen van de door haar aangevoerde feiten. Alvorens die gegevens aan de partijen of aan derden openbaar te maken moet deze rechter daarentegen nagaan of die gegevens beperkt zijn tot hetgeen noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor die openbaarmaking plaatsvindt en, in voorkomend geval, bepaalde maatregelen nemen om de aantasting van het recht op bescherming van persoonsgegevens waartoe een dergelijke openbaarmaking kan leiden, tot een minimum te beperken.
5) Artikel 13, leden 1 en 2, van verordening 2016/679 moet aldus worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat een nationale rechter in het kader van de uitoefening van zijn rechterlijke taak gegevens gebruikt die zijn verzameld door een partij of een derde die de krachtens die bepaling op haar of hem rustende informatieverplichtingen niet heeft nageleefd.
6) Verordening 2016/679 moet aldus worden uitgelegd dat een rechter in het kader van de uitoefening van zijn rechterlijke taak ervoor moet zorgen dat deze verordening wordt nageleefd wanneer hij persoonsgegevens verwerkt die betrekking hebben op derden die geen partij zijn in een procedure. Het Unierecht vereist niet dat een van de partijen in die procedure zich erop kan beroepen dat die gegevens door de andere partij onrechtmatig, in de zin van die verordening, zijn verzameld of bewaard, in strijd met de rechten die deze derden aan die verordening ontlenen.