Gepubliceerd op vrijdag 10 april 2026
IT 5194
HvJ EU ||
20 nov 2025
HvJ EU 20 nov 2025, IT 5194; ECLI:EU:C:2025:905 (JH tegen Policejní prezidium), https://www.itenrecht.nl/artikelen/hvj-eu-verduidelijkt-regels-voor-verzamelen-en-bewaren-van-biometrische-gegevens-door-politie

HvJ EU verduidelijkt regels voor verzamelen en bewaren van biometrische gegevens door politie

Hof van Justitie EU 20 november 2025, IT 5194; IEFbe 4185; ECLI:EU:C:2025:905 (JH tegen Policejní prezidium). Deze zaak draait om de vraag in hoeverre de politie biometrische en genetische gegevens, zoals foto’s, vingerafdrukken en DNA-profielen, mag verzamelen en bewaren van personen die worden verdacht of beschuldigd van een opzettelijk gepleegd strafbaar feit. Centraal staat richtlijn 2016/680, de politierichtlijn voor gegevensbescherming, die regels geeft voor de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten in het kader van strafrechtelijke handhaving. In de onderliggende zaak was tegen JH een strafprocedure gestart. In dat kader heeft de Tsjechische politie, ondanks zijn verzet, identificatiehandelingen verricht: er zijn vingerafdrukken afgenomen, een wanguitstrijkje gemaakt voor DNA-analyse, foto’s genomen en uiterlijke kenmerken vastgelegd. Deze gegevens zijn vervolgens opgeslagen in politiedatabanken. JH verzette zich daartegen en stelde dat dit een onrechtmatige inmenging vormde in zijn recht op privéleven. Een lagere rechter gaf hem gelijk en oordeelde dat de maatregelen niet voldeden aan het evenredigheidsvereiste, mede omdat het ging om een relatief licht strafbaar feit, zonder sterke aanwijzingen voor recidive. De hoogste bestuursrechter in Tsjechië legde daarop prejudiciële vragen voor aan het Hof van Justitie. Die vragen gingen in essentie over drie punten: welke mate van differentiatie vereist is tussen categorieën betrokkenen bij het verzamelen van biometrische en genetische gegevens, of zulke gegevens zonder maximale bewaartermijn mogen worden opgeslagen, en wat precies moet worden verstaan onder “lidstatelijk recht” als grondslag voor zulke verwerkingen.

Het Hof benadrukt allereerst dat biometrische en genetische gegevens bijzonder gevoelige persoonsgegevens zijn. Daarom geldt daarvoor een zwaarder beschermingsregime. Verwerking van zulke gegevens is alleen toegestaan wanneer die strikt noodzakelijk is, wanneer passende waarborgen bestaan voor de rechten en vrijheden van de betrokkene, en wanneer die verwerking is toegestaan bij Unierecht of lidstatelijk recht. Die regels concretiseren volgens het Hof de bescherming van de artikelen 7 en 8 van het Handvest, dus het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht op bescherming van persoonsgegevens. Ten aanzien van de derde prejudiciële vraag oordeelt het Hof dat het begrip “lidstatelijk recht” niet uitsluitend ziet op een formele wettelijke bepaling in enge zin. Daaronder kan ook nationale rechtspraak vallen, mits er een bepaling van algemene strekking bestaat die de minimale voorwaarden voor verzameling, opslag en wissen vastlegt, en mits de nadere uitleg daarvan in de rechtspraak toegankelijk en voldoende voorzienbaar is. Met andere woorden: rechtspraak kan een wettelijke regeling nader inkleuren, maar zij kan niet geheel in de plaats treden van een voldoende duidelijke algemene rechtsgrondslag. Bij de eerste vraag maakt het Hof onderscheid tussen artikel 6 van de richtlijn, dat ziet op het onderscheiden van categorieën betrokkenen, en de artikelen 4 en 10, die zien op minimale gegevensverwerking en de strikte noodzaak van verwerking van gevoelige gegevens. Het Hof oordeelt dat de richtlijn zich niet ertegen verzet dat biometrische en genetische gegevens zonder onderscheid worden verzameld van iedereen die ervan wordt verdacht of beschuldigd een opzettelijk strafbaar feit te hebben gepleegd, maar alleen onder strikte voorwaarden. Zo moet het doel van de verzameling niet vereisen dat tussen die twee categorieën een onderscheid wordt gemaakt. Bovendien moeten de bevoegde autoriteiten in elk concreet geval alle beginselen van noodzakelijkheid, proportionaliteit en minimale gegevensverwerking naleven. Dat betekent volgens het Hof dat de verwerking van zulke gevoelige gegevens niet systematisch of automatisch mag plaatsvinden zonder concrete toetsing. Er moet steeds worden beoordeeld of de verzameling strikt noodzakelijk is voor een specifiek en concreet doel, zoals toekomstige identificatie in verband met strafbare feiten. Daarbij moet rekening worden gehouden met alle relevante omstandigheden, zoals de aard en ernst van het feit, het strafrechtelijk verleden van de betrokkene, diens profiel en de context van het delict. Het Hof wijst erop dat een economische of niet-gewelddadige achtergrond van het delict niet automatisch uitsluit dat verzameling gerechtvaardigd kan zijn, maar dat die omstandigheden wel degelijk moeten worden meegewogen.

Met betrekking tot de tweede vraag over bewaartermijnen oordeelt het Hof dat richtlijn 2016/680 niet vereist dat altijd een absolute maximale bewaartermijn wordt vastgesteld. Een nationale regeling mag er ook voor kiezen te werken met periodieke evaluaties van de noodzaak van verdere opslag. Wel moeten die evaluatietermijnen passend zijn en moet daarbij telkens worden getoetst of verdere opslag nog strikt noodzakelijk is. Interne regels van de politie mogen een rol spelen bij die beoordeling, maar zij zijn op zichzelf geen voldoende rechtsgrond tegenover betrokkenen. Als een besluit tot verdere opslag wordt aangevochten, moeten de autoriteiten zelfstandig kunnen aantonen dat aan het vereiste van strikte noodzakelijkheid is voldaan. In de Tsjechische regeling bestond geen maximale bewaartermijn, maar wel een verplichting om ten minste eens per drie jaar te toetsen of verdere opslag nog nodig is. Het Hof laat het aan de nationale rechter om te beoordelen of zo’n termijn van drie jaar in het concrete geval passend is, gelet op de doeleinden van de opslag. Daarbij merkt het Hof wel op dat zo’n regeling in beginsel verenigbaar kan zijn met de richtlijn, zolang de beoordeling serieus en aan de hand van de juiste criteria plaatsvindt. Het Hof komt tot drie kernconclusies. Ten eerste kan “lidstatelijk recht” in de zin van de richtlijn bestaan uit een algemene wettelijke bepaling zoals nader uitgelegd in toegankelijke en voorzienbare rechtspraak. Ten tweede is het niet per se in strijd met de richtlijn om biometrische en genetische gegevens te verzamelen van iedereen die wordt verdacht of beschuldigd van een opzettelijk strafbaar feit, maar alleen als de doeleinden dat rechtvaardigen en de bevoegde autoriteiten in elk individueel geval de eisen van noodzakelijkheid, proportionaliteit en strikte noodzaak naleven. Ten derde is een systeem zonder maximale bewaartermijn niet per definitie onverenigbaar met de richtlijn, mits het voorziet in passende periodieke evaluaties waarbij wordt beoordeeld of verdere opslag nog strikt noodzakelijk is.


111 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

     
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:

     
1) De artikelen 8 en 10 van richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad

moeten aldus worden uitgelegd dat

wat het verzamelen, opslaan en wissen van biometrische en genetische gegevens betreft, het begrip „lidstatelijk recht” in de zin van die bepalingen aldus moet worden begrepen dat het betrekking heeft op een bepaling van algemene strekking die de minimale voorwaarden voor het verzamelen, opslaan en wissen van dergelijke gegevens vaststelt, zoals die bepaling wordt uitgelegd in de rechtspraak van de nationale rechterlijke instanties, voor zover die rechtspraak toegankelijk en voldoende voorzienbaar is.

     
2) Artikel 6 en artikel 4, lid 1, onder c), en artikel 6 van richtlijn 2016/680, gelezen in samenhang met artikel 10 van deze richtlijn

moeten aldus worden uitgelegd dat

zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan zonder onderscheid biometrische en genetische gegevens kunnen worden verzameld van eenieder die ervan wordt verdacht of beschuldigd opzettelijk een strafbaar feit te hebben gepleegd, voor zover, ten eerste, de doeleinden van die verzameling niet vereisen dat een onderscheid tussen die twee categorieën van personen wordt gemaakt en, ten tweede, de verwerkingsverantwoordelijken overeenkomstig het nationale recht, daaronder begrepen de rechtspraak van de nationale rechterlijke instanties, gehouden zijn om alle in de artikelen 4 en 10 van die richtlijn neergelegde beginselen en bijzondere vereisten in acht te nemen.

     
3) Artikel 4, lid 1, onder e), van richtlijn 2016/680

moet aldus worden uitgelegd dat

het zich niet verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan de politieautoriteiten op basis van interne regels beoordelen of het noodzakelijk is om biometrische en genetische gegevens verder op te slaan, zonder dat deze regeling voorziet in een maximale opslagtermijn, voor zover die regeling passende termijnen vaststelt voor de periodieke evaluatie of de opslag van die gegevens noodzakelijk is en bij die evaluatie wordt beoordeeld of het strikt noodzakelijk is om de opslag ervan te verlengen.