IT 2825

ING verplicht BKR-registratie te verwijderen

Rechtbank Amsterdam 7 juni 2019, IT&R 2825; ECLI:NL:RBAMS:2019:4363 (eiser tegen ING) BKR-registratie. Eiser heeft een borgtochtovereenkomst gesloten met ING en heeft zich voor een bepaald bedrag borg gesteld voor een krediet dat ING heeft verstrekt. De overeenkomst is door ING beëndigd en heeft de eiser in het informatiesysteem van BKR geregistreerd. Na onderlinge regeling is het bedrag betaald door eiser. Eiser heeft geprobeerd een woning te kopen, maar de hypotheek werd afgewezen vanwege de BKR-registratie van ING. Eiser vordert de registratie te verwijderen. ING voert aan dat de koop van een woning geen bijzondere omstandigheid is op grond waarvan de BKR-registratie moet worden verwijderden en dat de belangen van eiser niet zwaarder wegen dan het belang van de registratie. De verwijdering van de BKR-registratie wordt toegewezen.

4.7. Op grond van artikel 21 lid 1 AVG kan een persoon (hier [eiser bij dagvaarding] ) vanwege zijn specifieke situatie bezwaar maken tegen de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens op basis van artikel 6 lid 1 onder (e of) f AVG. De verwerkingsverantwoordelijke (hier ING) moet het bezwaar honoreren, tenzij zij dwingende gerechtvaardigde gronden aanvoert voor de verwerking die zwaarder wegen dan de belangen, rechten en vrijheden van de betrokken persoon of die verband houden met de instelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering. Als het bezwaar wordt gehonoreerd, moet de verwerkingsverantwoordelijke op grond van artikel 17 lid 1 onder c AVG de persoonsgegevens zonder onredelijke vertraging wissen.

4.8. […] Bij een dergelijke registratie en de handhaving daarvan moet zijn voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit zodanig dat de inbreuk op de belangen van de bij de verwerking van persoonsgegevens betrokkene ( [eiser bij dagvaarding] ) niet onevenredig is in verhouding tot het met de verwerking te dienen doel (proportionaliteitsbeginsel) en dat het doel waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt in redelijkheid niet op een andere, voor de bij de verwerking van persoonsgegevens betrokkene minder nadelige wijze kan worden verwezenlijkt (subsidiariteitsbeginsel).

4.9. De verwerkingsverantwoordelijke zal aannemelijk moeten maken dat in dit concrete geval zijn belangen (zoals nader omschreven onder 4.7) zwaarder wegen dan de belangen van de betrokkene. Het volstaat niet om in het algemeen te wijzen op de wettelijke plicht tot het deelnemen aan een stelsel van kredietregistratie of op het maatschappelijke belang daarvan.