IT 3908

Journalisten met gerechtelijke stukken informeren is rechterlijke taak

HvJ EU 24 maart 2022, IT 3908, IEFbe 3428; ECLI:EU:C:2022:216 (Verhouding journalist en rechtelijke taken) Naar aanleiding van het verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de rechtbank Midden-Nederland bij beslissing van 29 mei 2020 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie de vragen beantwoord omtrent de verhouding tussen art. 55 lid 3 van de verordening 2016/679 en de Autoriteit Persoonsgegevens. Onder de gerechtelijke taken in de zin van het hierboven genoemde artikel valt het tijdelijk ter beschikking stellen van processtukken waarin persoonsgegevens zijn opgenomen aan journalisten. Dit heeft het Hof van Justitie besloten in een zaak waarbij de Autoriteit Persoonsgegevens zich niet bevoegd achtte om kennis te nemen van de omstandigheid dat de journalist beschikking had over processtukken verkregen door de Raad van State. Het toezicht op het ter beschikking stellen van deze processtukken aan journalisten door een externe autoriteit zal volgens het Hof van Justitie de onafhankelijkheid van de gerechtelijke macht in gevaar kunnen brengen. Het doel van deze bepaling is dan ook om journalisten in staat te stellen beter verslag te doen over het verloop van de procedure. 

38. Het bepalen, gelet op het voorwerp en de context van een bepaalde zaak, welke informatie uit een dossier van een gerechtelijke procedure aan journalisten mag worden verstrekt met het doel hen in staat te stellen verslag uit te brengen over het verloop van de gerechtelijke procedure of bepaalde aspecten van een gewezen beslissing toe te lichten, houdt namelijk duidelijk verband met de uitoefening door die gerechten van hun „rechterlijke taken”. Het toezicht daarop door een externe autoriteit zou de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in het algemeen in gevaar kunnen brengen.

39. Gelet op een en ander dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 55, lid 3, van verordening 2016/679 aldus moet worden uitgelegd dat het tot de uitoefening door een gerecht van zijn „rechterlijke taken” in de zin van deze bepaling behoort om uit een gerechtelijke procedure afkomstige stukken waarin persoonsgegevens zijn opgenomen tijdelijk ter beschikking te stellen aan journalisten om hen in staat te stellen beter verslag te doen van het verloop van die procedure.

         Prejudiciële vragen:
 

–   Is het voor de beantwoording van deze vraag van belang of door het uitoefenen van toezicht door de nationale toezichthoudende autoriteit op deze vorm van gegevensverwerking de onafhankelijke rechterlijke oordeelsvorming in concrete zaken wordt geraakt?

–   Is het voor de beantwoording van deze vraag van belang dat de aard en het doel van de gegevensverwerking volgens de rechterlijke instantie is het informeren van een journalist om deze daardoor in de gelegenheid te stellen om beter verslag te doen van de openbare zitting in een gerechtelijke procedure en waarmee wordt beoogd het belang van openbaarheid en transparantie van rechtspraak te dienen?

–    Is het voor de beantwoording van deze vraag van belang of de gegevensverwerking op een expliciete nationaalrechtelijke grondslag berust?”