22 mei 2026,
Kantonrechter wil AVG-inzageverzoek verwijzen naar verzoekschriftprocedure
Rb. Rotterdam 22 mei 2026, IT 5368; ECLI:NL:RBROT:2026:6839 ([eiser] tegen Woonexpress B.V.). Een consument vraagt Woonexpress om inzage in de verwerking van zijn persoonsgegevens. Volgens de consument heeft Woonexpress niet tijdig op dat verzoek gereageerd. Hij vordert onder meer een verklaring voor recht dat Woonexpress in strijd met de AVG heeft gehandeld, volledige inzage op grond van artikel 15 AVG op straffe van een dwangsom en € 1.500 aan immateriële schadevergoeding op grond van artikel 82 AVG. Woonexpress stelt in een incident dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft en dat de rechtbank Zeeland-West-Brabant bevoegd is. De kantonrechter verwerpt dit verweer. Op grond van artikel 79 lid 2 AVG kan een procedure tegen een verwerkingsverantwoordelijke worden ingesteld in de lidstaat waar deze een vestiging heeft of waar de betrokkene woont. Woonexpress heeft vestigingen in Nederland en de consument woont in Nederland. De rechtbank Rotterdam is relatief bevoegd, omdat de consument daar woont en de vorderingen, hoewel zij niet rechtstreeks op de consumentenovereenkomst zijn gebaseerd, daarvan niet los kunnen worden gezien. Woonexpress wordt veroordeeld tot betaling van € 130,50 aan proceskosten in het incident.
De kantonrechter overweegt dat een verzoek om inzage op grond van artikel 15 AVG ingevolge artikel 35 leden 1 en 2 UAVG bij verzoekschrift moet worden voorgelegd aan de kamer voor andere zaken dan kantonzaken. De consument heeft het inzageverzoek ten onrechte in een dagvaarding opgenomen. De kantonrechter is daarom voornemens dit onderdeel met toepassing van de artikelen 69 en 71 Rv te verwijzen naar de verzoekschriftprocedure bij team Handel en Haven van de rechtbank Rotterdam. Voor de verklaring voor recht, de schadevergoeding van € 1.500 en de bijbehorende nevenvorderingen acht de kantonrechter zichzelf wel bevoegd, omdat de waarde daarvan niet boven € 25.000 uitkomt. Hoewel de vorderingen samenhangen, kunnen de dagvaardings- en verzoekschriftprocedure niet worden gevoegd. Partijen mogen zich eerst over de voorgenomen verwijzing uitlaten. Het betreft dus een tussenvonnis: over het inzagerecht, de gestelde AVG-schending en de gevorderde schadevergoeding is nog geen inhoudelijk oordeel gegeven.
Het inzageverzoek moet worden gedaan aan de kamer voor andere zaken dan kantonzaken
2.9.
De eis van [eiser] onder II is namelijk een verzoek om inzage te verkrijgen in de verwerking van zijn persoonsgegevens. Dit verzoek is gebaseerd op artikel 15 van de AVG. Omdat de beslissing op dat verzoek in dit geval is genomen door Woonexpress en Woonexpress geen bestuursorgaan is, geldt dat [eiser] zich tot de rechtbank kan wenden met het verzoek de verwerkingsverantwoordelijke (Woonexpress) te bevelen de verzoeken als bedoeld in artikel 15 AVG alsnog toe of af te wijzen. Dat staat in artikel 35 lid 1 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming.
Met de rechtbank wordt bedoeld de kamer voor andere zaken dan kantonzaken.7 Dat blijkt uit de voorganger van deze wet.8 Daarin stond in 2001 al dat zulke verzoeken moesten worden gedaan aan de arrondissementsrechtbank en toen bestond binnen elk arrondissement nog een zelfstandig kantongerecht. Dat betekent dat de wetgever dus niet de kantonrechter bedoelde. Uit niets blijkt dat de wetgever dit heeft willen veranderen.
Het inzageverzoek moet worden gedaan in een verzoekschrift en de regels voor de verzoekschriftprocedure gelden
2.10.
[eiser] heeft het inzageverzoek gedaan in een dagvaarding, terwijl het verzoek had moeten worden gedaan in een verzoekschrift.9 De procedure moet voor dit deel worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure.
De kantonrechter is bevoegd om te beslissen over de overige eisen
2.11.
De kantonrechter is wel bevoegd om te beslissen over de andere eisen. De onder I gevraagde verklaring voor recht is van onbepaalde waarde en er zijn duidelijke aanwijzingen dat die eis gewaardeerd moeten worden op maximaal € 25.000,-.10 [eiser] koppelt daar zelf een schadevergoedingseis van € 1.500,- aan. Hij voert niet aan dat hij meer schade heeft geleden dan dit bedrag. De schadevergoedingseis behoort ook tot het takenpakket van de kantonrechter, omdat het geëiste bedrag lager is dan € 25.000,- en de kantonrechter bevoegd is voor alle eisen tot aan dat bedrag.11 De rest van de eisen zijn aanvullend hieraan, zodat de kantonrechter ten aanzien daarvan ook bevoegd is.
Geen gezamenlijke behandeling van alle eisen mogelijk
2.12.
Weliswaar is het uitgangspunt van de wetgever dat samenhangende vorderingen vanuit een oogpunt van doelmatigheid zo veel mogelijk door één en dezelfde rechter moeten worden behandeld en beslist en vindt de kantonrechter de eisen van [eiser] zulke samenhangende vorderingen, maar de wet biedt geen mogelijkheid om alle eisen van [eiser] samen te behandelen. Het voegen van een dagvaardingsprocedure met een verzoekschriftprocedure is namelijk niet mogelijk. Dat betekent dat als de kantonrechter de gehele procedure verwijst naar team Handel en Haven dat er niet toe zal leiden dat de hele zaak door dezelfde rechter wordt behandeld en beslist.
Hoe nu verder?
2.13.
De kantonrechter is hierom van plan om alleen het inzageverzoek ambtshalve te verwijzen naar de verzoekschriftprocedure12 bij team Handel en Haven van deze rechtbank.13 Beide partijen krijgen eerst de gelegenheid om zich op de rolzitting van 17 juni 2026 uit te laten over dit voornemen.14 Als zij schriftelijk reageren, dan moet die reactie uiterlijk 16 juni 2026 in tweevoud zijn ontvangen op de rechtbank. In dat geval is het niet nodig dat de partijen naar de rolzitting komen.