15 jul 2026,
Korpschef moet bij Wpg-inzageverzoek onderscheid tussen gerichte en automatische BRP-bevragingen inzichtelijk maken
ABRvS 15 juli 2026, IT 5455; ECLI:NL:RVS:2026:4141 (korpschef van politie tegen [wederpartij]). [wederpartij] verzocht op grond van art. 25 Wpg om inzage in de verwerking van zijn persoonsgegevens nadat hij had vastgesteld dat de politie zijn gegevens in de Basisregistratie Personen (BRP) tussen 2018 en 19 mei 2022 meer dan achthonderd keer had geraadpleegd. Hij wilde weten waarom op zijn naam en op de namen van onder meer zijn dochters, ouders en ex-partner was gezocht, wie binnen de politie de BRP had geraadpleegd, wat de redenen voor die raadplegingen waren en waarvoor de verkregen gegevens werden gebruikt en verwerkt. Ook ging hij ervan uit dat in verband met die raadplegingen documenten, zoals processen-verbaal, waren opgesteld en verzocht hij daarvan inzage. De korpschef wees het verzoek af en stelde dat BRP-bevragingen bij verwerking in de politiesystemen grotendeels automatisch plaatsvinden, dat niet inzichtelijk was welke raadplegingen gericht en welke automatisch waren verricht en dat daarvan geen afzonderlijke documenten werden aangemaakt. De rechtbank Midden-Nederland vernietigde dat besluit, omdat de korpschef onvoldoende had onderbouwd dat ook van gerichte BRP-bevragingen geen gegevens beschikbaar waren en het inzageverzoek te beperkt had opgevat.
De Afdeling stelt voorop dat art. 25 Wpg de betrokkene recht geeft op uitsluitsel over de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens en, indien daarvan sprake is, op inzage in die gegevens en informatie over onder meer de doeleinden, rechtsgrond, categorieën van politiegegevens en herkomst van de verwerking. De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het verzoek van [wederpartij] zag op het geheel van de BRP-bevragingen, dus zowel op automatische als op gerichte raadplegingen. Van [wederpartij] kon niet worden verlangd dat hij dit onderscheid reeds in zijn oorspronkelijke verzoek maakte, omdat hij vóór het afwijzende besluit niet wist dat de politie dat onderscheid hanteerde. Nu hij juist wilde achterhalen waarom zijn persoonsgegevens werden verwerkt en waarom daarvoor de BRP werd geraadpleegd, had de korpschef inzichtelijk moeten maken wanneer sprake was van een gerichte en wanneer van een automatische bevraging en nader moeten onderbouwen waarom van gerichte bevragingen geen gegevens beschikbaar zouden zijn. De rechtbank heeft het oorspronkelijke besluit daarom terecht wegens onvoldoende zorgvuldigheid vernietigd. In het nieuwe besluit van 23 mei 2024 lichtte de korpschef vervolgens toe dat automatische BRP-verificatie onder meer plaatsvindt bij gebruik van de politiesystemen na contact of een melding, terwijl gerichte raadpleging mogelijk is via onder andere BVI-IB en MEOS. Tegen die nadere motivering voerde [wederpartij] geen inhoudelijke gronden aan. Zijn aanvullende verzoek om MEOS-bevragingen te verstrekken en een onafhankelijke derde in de politiesystemen te laten kijken viel buiten de omvang van het hoger beroep en moest zo nodig afzonderlijk bij de korpschef worden ingediend. Het hoger beroep van de korpschef is daarom ongegrond en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd; het beroep tegen het nieuwe besluit van 23 mei 2024 is eveneens ongegrond.
6.1. In het nieuwe besluit heeft de korpschef het verzoek van [wederpartij] ruim opgevat en een nadere motivering gegeven voor het weigeren van inzage in de gerichte bevragingen en daarmee verband houdende documenten. De korpschef heeft in het besluit toegelicht op welke wijze de brp-bevragingen hebben plaatsgevonden. In het geval dat [wederpartij] contact opneemt met de politie, worden bij gebruik van de politiesystemen de persoonsgegevens automatisch geverifieerd in de brp. Dit is ook het geval als de politie bij [wederpartij] langs gaat naar aanleiding van een melding. Er is dan sprake van een automatische, ongerichte bevraging. Een gerichte bevraging kan plaatsvinden bij een integrale bevraging (BVI-IB) omdat de politie een specifiek brp-gegeven nodig heeft voor een besluit op een inzageverzoek. Ook kan een gerichte bevraging via de applicatie mobiel effectief op straat (MEOS).
6.2. [wederpartij] heeft in zijn beroep tegen het besluit van 23 mei 2024 verzocht om de bevragingen die volgen uit de applicatie MEOS te verstrekken. Ook heeft [wederpartij] verzocht om een onafhankelijk persoon in de politiesystemen te laten kijken om vast te stellen wat er over hem in de politiesystemen staat. Dit zijn geen verzoeken waar de Afdeling in deze procedure een oordeel over kan geven, omdat het buiten de omvang van het hoger beroep valt. Mocht [wederpartij] dit willen, dan moet hij dat verzoeken aan de korpschef. Verder heeft [wederpartij]geen gronden aangevoerd waarom het besluit van 23 mei 2024 onjuist zou zijn. Het van rechtswege ontstane beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 23 mei 2024 is daarom ongegrond.