1 jul 2026,
Nederlandse rechter bevoegd in geschil over aankoop en beheer van bitcoins
Rb. Gelderland 1 juli 2026, IT 5369; ECLI:NL:RBGEL:2026:5452 (Deck Holding tegen [de gedaagde in de hoofdzaak]). Deck Holding vordert in de hoofdzaak betaling van een bedrag ter waarde van 7,80 bitcoins en verlangt dat de gedaagde rekening en verantwoording aflegt over de wijze waarop hij deze bitcoins voor haar zou hebben aangekocht, belegd en beheerd. Deck Holding stelt dat zij tussen 31 januari en 6 februari 2023 in totaal € 230.000 aan de gedaagde heeft overgemaakt om voor haar in bitcoins te beleggen. Toen zij later om overdracht van de bitcoins vroeg, zou de gedaagde daaraan geen gehoor hebben gegeven. Volgens Deck Holding bleken bovendien door hem verstrekte financiële overzichten vervalst en bestaat de mogelijkheid dat de bitcoins nooit zijn aangekocht, zijn verduisterd of zijn verkocht waarna de opbrengst is behouden. De gedaagde vordert in een bevoegdheidsincident dat de rechtbank zich internationaal onbevoegd verklaart. Hij stelt dat de rechter in Dubai of Zwitserland bevoegd is en beroept zich onder meer op een forumkeuzebeding in zijn arbeidsovereenkomst met een in Dubai gevestigde onderneming.
Omdat de gedaagde buiten de Europese Unie woont en geen toepasselijk rechtmachtsverdrag bestaat, beoordeelt de rechtbank haar internationale bevoegdheid aan de hand van de artikelen 2 tot en met 14 Rv. Artikel 2 Rv biedt geen grondslag, omdat de gedaagde niet in Nederland woont. Voor zover de vorderingen zijn gebaseerd op de gestelde overeenkomst van opdracht, acht de rechtbank zich wel bevoegd op grond van artikel 6, aanhef en onder a, Rv. De gedaagde woonde volgens de rechtbank nog in Nederland toen de gestelde overeenkomst werd gesloten en hield een rekening aan bij een Nederlandse bank. De daaruit voortvloeiende verplichtingen moesten daarom naar voorlopig oordeel in ieder geval tot zijn verhuizing in Nederland worden uitgevoerd. Voor de vorderingen uit onrechtmatige daad bestaat daarnaast bevoegdheid op grond van artikel 6, aanhef en onder e, Rv, omdat niet kan worden uitgesloten dat het gestelde schadebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan. Het forumkeuzebeding uit de arbeidsovereenkomst met een andere vennootschap is niet van toepassing op de rechtsverhouding tussen Deck Holding en de gedaagde. De incidentele vordering en het verzoek tot opheffing van de beslagen worden afgewezen en de gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 842 aan proceskosten. De rechtbank benadrukt dat haar oordeel over het bestaan en de kwalificatie van de overeenkomst uitsluitend voorlopig is. De hoofdzaak wordt voortgezet; over de inhoudelijke vorderingen is nog niet beslist.
3.3.
Niet in geschil is dat Deck Holding in januari en februari 2023 geld heeft overgemaakt naar de bankrekening van [de gedaagde in de hoofdzaak] . Uit de door Deck Holding bij dagvaarding overgelegde productie 2 blijkt dat hij deze op dat moment aanhield bij een Nederlandse bank, hetgeen [de gedaagde in de hoofdzaak] in incident niet heeft betwist. Naar eigen zeggen is [de gedaagde in de hoofdzaak] kort na zijn indiensttreding in april 2023 bij de in Dubai gevestigde onderneming Eleven Yield Investment L.L.C. naar Dubai is verhuisd. Hieruit leidt de rechtbank af dat [de gedaagde in de hoofdzaak] nog woonachtig was in Nederland toen de door Deck Holding gestelde overeenkomst van opdracht werd gesloten en dat de daaruit voortvloeiende verbintenissen, waaronder het inkopen en beheren van bitcoins en het afleggen van rekening en verantwoording, in elk geval vanaf dat moment tot het moment dat [de gedaagde in de hoofdzaak] naar [woonplaats] verhuisde, in Nederland dienden te worden uitgevoerd. De rechtbank acht zich daarom bevoegd op grond van artikel 6 aanhef en onder a Rv.
3.4.
Uit de stellingen van Deck Holding volgt dat er bij haar een vrees bestaat dat [de gedaagde in de hoofdzaak] de door haar overgemaakte geldbedragen nimmer heeft geïnvesteerd in bitcoins, dan wel de bitcoins heeft verduisterd of verkocht en de opbrengst heeft behouden. Vooralsnog maakt dit dat niet exact is vast te stellen waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan. Niet uit tet sluiten is echter dat het schadebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan. Dit maakt dat de rechtbank zich eveneens bevoegd acht om van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen op grond van artikel 6 aanhef en onder e Rv.
3.5.
Het beroep van [de gedaagde in de hoofdzaak] op het forumkeuzebeding in de arbeidsovereenkomst die hij met 11 Yield Investment L.L.C. had en dat die forumkeuze ook van toepassing zou zijn op de rechtsverhouding tussen [de gedaagde in de hoofdzaak] en Deck Holding, slaagt niet. Deze arbeidsovereenkomst staat buiten de rechtsverhouding tussen Deck Holding en [de gedaagde in de hoofdzaak] .
3.6.
Het voorgaande betekent dat de gevorderde verklaring van onbevoegdheid zal worden afgewezen. Dit geldt ook voor de door hem gevorderde opheffing van de beslagen. [de gedaagde in de hoofdzaak] heeft deze vordering in het geheel niet toegelicht.
3.7.
De rechtbank merkt op dat zij zich in het kader van de beantwoording van de bevoegdheidsvraag heeft uitgelaten over een geschilpunt dat ook in de hoofdzaak een rol speelt, namelijk de vraag of tussen partijen een overeenkomst bestaat en hoe deze moet worden gekwalificeerd. Voor zover de rechtbank die vraag in het kader van het bevoegdheidsincident heeft beantwoord, brengt het karakter van het incident met zich dat dit slechts een voorlopig oordeel is, waaraan de rechtbank bij de beoordeling van de hoofdzaak niet is gebonden (vgl. Hoge Raad 30 juni 1989, NJ 1990/382).
3.8.
[de gedaagde in de hoofdzaak] wordt in het incident in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Deck Holding worden begroot op € 842,00 (€ 653,00 aan salaris advocaat (1 punt × € 653,00) en € 189,00 aan nakosten), plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing.