Gepubliceerd op vrijdag 24 april 2026
IT 5229
Rechtbank Gelderland ||
19 mrt 2026
Rechtbank Gelderland 19 mrt 2026, IT 5229; ECLI:NL:RBGEL:2026:3064 (de officier van justitie tegen [verdachte]), https://www.itenrecht.nl/artikelen/online-handelsfraude-via-marktplaats-en-facebook

Online handelsfraude via Marktplaats en Facebook

Rb Gelderland 19 maart 2026, IT 5229; ECLI:NL:RBGEL:2026:3064 (de officier van justitie tegen [verdachte]). De rechtbank acht bewezen dat de verdachte zich in de periode van 23 maart 2021 tot en met 18 augustus 2022 schuldig heeft gemaakt aan online handelsfraude als bedoeld in artikel 326e Sr, doordat hij daarvan een beroep of gewoonte heeft gemaakt. Hij bood via Marktplaats en Facebook goederen aan of reageerde op zoekadvertenties, liet kopers bedragen overmaken en leverde vervolgens niet, waarna kopers vaak werden genegeerd, geblokkeerd of met verdwenen accounts werden geconfronteerd. De rechtbank stelt vast dat sprake was van verkoop van goederen via een geautomatiseerd werk, met het oogmerk om zich zonder volledige levering van de betaling te verzekeren, en dat de grote hoeveelheid transacties met een sterk vergelijkbare modus operandi meebrengt dat sprake is van een gewoonte. Dat juist deze verdachte de dader was, leidt de rechtbank af uit het feit dat in alle 24 aangiftes gebruikte bankrekeningnummers en/of het gebruikte telefoonnummer aan hem konden worden gekoppeld, uit zijn eigen verklaring dat hij van dat telefoonnummer en WhatsApp gebruikmaakte, en uit zijn erkenning dat hij zich in elk geval bij de transacties rond de sidetable en de Huawei-telefoon als verkoper heeft voorgedaan. Het alternatieve scenario dat een ander, [naam], met gebruikmaking van zijn gegevens de fraude zou hebben gepleegd, verwerpt de rechtbank als onvoldoende concreet, niet onderbouwd en zonder begin van aannemelijkheid. Het bewezenverklaarde kwalificeert de rechtbank als: “een beroep of gewoonte maken van het door middel van een geautomatiseerd werk verkopen van goederen of verlenen van diensten tegen betaling met het oogmerk om zonder volledige levering zich of een ander van de betaling van die goederen of diensten te verzekeren.”

Bij de strafoplegging weegt de rechtbank zwaar mee dat verdachte gedurende lange tijd 24 slachtoffers heeft gemaakt en daarmee niet alleen concrete kopers heeft benadeeld, maar ook het vertrouwen in online handelsverkeer heeft geschaad. De rechtbank volgt de eis van de officier van justitie niet, omdat zij geen taakstraf passend vindt: bij verdachte stonden al drie taakstraffen open, waarvan één was geretourneerd, eerder toezicht was beëindigd en verdachte wilde geen hulp. Wel houdt de rechtbank rekening met een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn van artikel 6 EVRM: die ving aan op 1 november 2022 en was ten tijde van het vonnis met ongeveer 1 jaar en 4 maanden overschreden, zodat strafmatiging op zijn plaats is. Daarom legt de rechtbank een gevangenisstraf van 8 weken op, waarvan 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Ten aanzien van de 13 benadeelde partijen wijst de rechtbank de materiële schade toe voor zover die overeenkomt met de daadwerkelijk overgemaakte bedragen, telkens vermeerderd met wettelijke rente, en legt zij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr op. De rechtbank overweegt daarbij dat materiële schade boven het betaalde bedrag niet als rechtstreekse schade is gebleken en daarom in de motivering wordt afgewezen, terwijl de gevorderde immateriële schade wegens onvoldoende onderbouwing en onevenredige belasting van het strafproces niet-ontvankelijk wordt geacht; in het dictum staat vervolgens samengevat dat de benadeelde partijen voor het meer of anders gevorderde niet-ontvankelijk zijn. Dat is dus de belangrijkste precisering ten opzichte van mijn vorige versie.

Online handelsfraude

De rechtbank moet de vraag beantwoorden of er sprake is geweest van online handelsfraude conform artikel 326e van het Wetboek van Strafrecht en zo ja, of verdachte degene is geweest die deze fraude heeft gepleegd. Er moet immers sprake zijn van fraude middels een geautomatiseerd werk, waarbij het verkopen van goederen of verlenen van diensten tegen betaling wordt aangeboden. Hierbij moet er sprake zijn van het oogmerk tot wederrechtelijke bevoordeling, kortom dat de pleger niet de intentie heeft om het goed of dienst te leveren/verlenen. Tot slot moet de pleger hiervan deze fraude een beroep of een gewoonte hebben gemaakt. De rechtbank zal deze vereisten puntsgewijs bespreken.

De rechtbank stelt vast dat er sprake is van een geautomatiseerd werk, omdat er sprake is geweest van het verkopen van goederen tegen betaling op het Internet. Er zijn 24 aangiftes gedaan door kopers, waarbij er telkens via een advertentie op Marktplaats of Facebook een product werd gekocht. Bij meerdere aangiftes was het de verkopende partij die, al dan niet door middel van foto’s, reageerde op een advertentie van de kopers waarbij aangegeven werd dat diegene het product had wat zij zochten. De kopers en de verkopende partij kwamen een prijs overeen, communiceerden via chatberichten met elkaar waarna een bedrag door de koper werd overgemaakt. De kopers ontvingen daarna niet het product dat zij hadden gekocht. Bij navraag door de kopers aan de verkopende partij kregen zij geen antwoord, werden zij door het account van verkoper geblokkeerd of was dat account wegens mogelijke fraudeactiviteiten reeds geblokkeerd. Uit het feit dat iedere keer deze werkwijze werd toegepast blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de verkoper van meet af aan geen intentie had om de producten ook daadwerkelijk te leveren. Daaruit volgt dat hij bij al deze transacties telkens het oogmerk had, zich ten koste van de kopers wederrechtelijk te bevoordelen. Verder is door de grote hoeveelheid aangiftes over een periode van 23 maart 2021 tot 18 augustus 2022, waarbij vrijwel iedere keer een gelijke modus operandi wordt gebruikt, sprake van het maken van een gewoonte om deze fraude te plegen.

De rechtbank stelt derhalve vast dat er sprake is van online handelsfraude zoals bedoeld in artikel 326e van het Wetboek van Strafrecht.