13 jul 2026,
Patroon van AVG-inzageverzoeken met financieel oogmerk levert misbruik van recht op
Rb. Noord-Holland 13 juli 2026, IT 5379; ECLI:NL:RBNHO:2026:8436 ([verzoeker] tegen VDIS). Verzoeker had na bestellingen via de website tandenbleken-thuis.nl een inzageverzoek op grond van artikel 15 AVG ingediend bij Van Dijk Interim Services B.V. (VDIS). Toen een reactie uitbleef, sommeerde hij VDIS om alsnog aan het verzoek te voldoen en kondigde hij € 925 aan buitengerechtelijke kosten aan. Vervolgens deed hij onder dreiging van een gerechtelijke procedure een niet-onderhandelbaar schikkingsvoorstel van € 1.250. VDIS verstrekte daarop algemene informatie over onder meer de categorieën persoonsgegevens, verwerkingsdoeleinden, grondslagen, ontvangers en bewaartermijnen en vroeg verzoeker zijn identiteit te verifiëren. Verzoeker reageerde niet op dat verzoek. In de procedure verzocht hij aanvankelijk onder meer om schadevergoeding, buitengerechtelijke kosten en vergoeding van de werkelijke proceskosten. Pas tijdens de mondelinge behandeling verminderde hij zijn verzoek tot het verkrijgen van volledige inzage in zijn persoonsgegevens, op straffe van een dwangsom.
De rechtbank stelt voorop dat bij het aannemen van misbruik van recht terughoudendheid moet worden betracht. Artikel 12 lid 5 AVG biedt de verwerkingsverantwoordelijke de mogelijkheid om geen gevolg te geven aan kennelijk ongegronde of buitensporige verzoeken. Onder verwijzing naar het arrest Brillen Rottler/TC van het Hof van Justitie beoordeelt de rechtbank of uit een geheel van objectieve omstandigheden en een subjectief element blijkt dat verzoeker kunstmatig de voorwaarden heeft gecreëerd om een door het Unierecht toegekend voordeel te verkrijgen. De rechtbank betrekt daarbij het patroon dat verzoeker in ongeveer anderhalf jaar circa negentig inzageverzoeken had gedaan en ongeveer twintig vergelijkbare procedures bij de Rechtbank Noord-Holland had gestart. Ook woog mee dat hij telkens vroegtijdig aanspraak maakte op hoge vergoedingen, vrijwel identieke processtukken gebruikte, zijn verzoeken kort voor of tijdens de zitting verminderde en niet reageerde op het verzoek om identiteitsverificatie. Volgens de rechtbank ging het verzoeker niet daadwerkelijk om inzage ter controle van de juistheid van zijn persoonsgegevens en de rechtmatigheid van de verwerking, maar had hij vooral een financieel oogmerk. De rechtbank verklaart hem daarom wegens misbruik van recht niet-ontvankelijk en komt niet toe aan de vraag of VDIS verwerkingsverantwoordelijke is of inhoudelijk aan het inzageverzoek had moeten voldoen.
4.7.
Voor de motivering van haar oordeel dat sprake is van misbruik van recht verwijst de rechtbank allereerst uitdrukkelijk naar haar gemotiveerde oordeel in de onder 4.2 genoemde beschikking, waaraan - kort gezegd - het procedeergedrag en de werkwijze van [verzoeker] , en de betrokkenheid van (vermeende) gemachtigden en de rol van Webshop Juristen ten grondslag ligt. Dergelijke omstandigheden zijn ook aanwezig en gesteld in de onderhavige zaak. Zo heeft [verzoeker] ook in deze zaak al in een vroegtijdig stadium buitengerechtelijke kosten aangezegd en aangedrongen op betaling van een (schade)vergoeding, onder dreiging van een gerechtelijke procedure. Ook in deze zaak heeft [verzoeker] in de dagvaarding, zonder schriftelijke onderbouwing, een immateriële schadevergoeding, een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en een vergoeding van de werkelijke proceskosten gevorderd en vervolgens zijn verzoek - zonder deugdelijke of overtuigende toelichting - verminderd tot enkel inzage in zijn persoonsgegevens op straffe van een dwangsom, waarbij van belang is dat deze vermindering in dit geval eerst ter zitting heeft plaatsgevonden. Verder heeft [verzoeker] ook in deze zaak om vergoeding van de proceskosten verzocht, waarbij het aanvankelijk ging om de werkelijke proceskosten, terwijl ook VDIS - onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 mei 20247 - haar terechte twijfels heeft geuit over het daadwerkelijk bestaan van gemachtigde Donkersloot. In de onder 4.2 genoemde beschikking heeft de rechtbank daarover geoordeeld dat [verzoeker] het bestaan van gemachtigde Donkersloot niet aannemelijk heeft weten te maken.8 Dat is ook hier het geval, waarbij van belang is dat ook in deze zaak Donkersloot zonder goede of aannemelijke reden niet ter zitting is verschenen. In deze zaak komt daar tot slot nog bij dat [verzoeker] , zoals VDIS ook heeft gesteld, niet heeft gereageerd op het verzoek tot verificatie van VDIS. Dit had wel voor de hand gelegen als het [verzoeker] daadwerkelijk te doen was geweest om inzage in zijn persoonsgegevens.
4.8.
Zoals ook in de onder 4.2 genoemde beschikking is overwogen heeft [verzoeker] de omschreven handelwijze niet alleen gehanteerd met betrekking tot zijn inzageverzoek aan VDIS, maar ook in andere zaken. Dit betreft onder meer de andere AVG-verzoeken van [verzoeker] tegen verschillende andere bedrijven die op de zitting van 1 juni 2026 zijn behandeld, alsook de ongeveer twintig andere zaken die bij de rechtbank aanhangig zijn. [verzoeker] heeft in deze zaken een vergelijkbare communicatie en insteek van de procedure gehad als in deze zaak en - met gebruikmaking van nagenoeg identieke dagvaardingen en stukken - een hoge schadevergoeding en/of een hoge kostenvergoeding gevorderd. Vrijwel alle zaken die aanhangig zijn bij deze en andere rechtbanken vinden hun oorsprong in een online bestelling van [verzoeker] of registratie vanwege andere redenen, enige tijd later gevolgd door een AVG-verzoek. Ook in die zaken heeft [verzoeker] al in een vroeg stadium en herhaaldelijk aangedrongen op de betaling van een vergoeding door de betrokken bedrijven en ook in die zaken, althans in de zaken die op zitting zijn behandeld, heeft [verzoeker] kort voor de zitting zonder nadere toelichting zijn verzoek aangepast en verminderd. Daarbij is van belang dat in de meeste van deze zaken eveneens een beroep op misbruik van recht is gedaan.
4.9.
De rechtbank is er daarnaast ambtshalve mee bekend dat in ieder geval bij de rechtbanken Rotterdam en Midden-Nederland vergelijkbare zaken aanhangig zijn gemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling in de onder 4.2 bedoelde zaak heeft [verzoeker] desgevraagd meegedeeld dat hij in de afgelopen anderhalf jaar zo’n 90 inzageverzoeken op grond van de AVG heeft gedaan. De bedrijven die weigerden aan dat verzoek te voldoen of geen dan wel onvoldoende inzage hebben gegeven, zijn de bedrijven waartegen hij uiteindelijk een procedure is gestart.
4.10.
Tot slot neemt de rechtbank ook in deze zaak in aanmerking dat de werkwijze en proceshouding van [verzoeker] ook door andere rechters is gesignaleerd. Dit heeft geleid tot afwijzing van de vordering en in sommige gevallen zelfs tot een veroordeling in de werkelijke proceskosten, zoals ook is vastgesteld in de onder 4.2 genoemde beslissing.9
4.11.
Uit het vorenstaande kan niet anders worden geconcludeerd dan dat [verzoeker] met gebruikmaking van de mogelijkheden van de AVG welbewust een situatie heeft geconstrueerd die het hem mogelijk maakt van de betrokken bedrijven een schadevergoeding te verkrijgen. Er is dus sprake van een patroon. Daarbij kan de rechtbank zich ook in deze zaak niet aan de indruk onttrekken dat [verzoeker] misbruik maakt van de onbekendheid van deze bedrijven met de inhoud en de werking van de AVG en van de vrees van die bedrijven om tot hoge vergoedingen veroordeeld te worden.