29 jun 2026,
Rb. Amsterdam: Telegraaf hoeft citaat over vermeende betrokkenheid dierenactivist niet te verwijderen
Rb. Amsterdam 27 november 2025, IT&Recht 5326; ECLI:NL:RBAMS:2025:9184 ([eiser] tegen De Telegraaf). In deze zaak tussen [eiser] en De Telegraaf staat de vraag centraal of De Telegraaf onrechtmatig heeft gehandeld door in een online artikel een citaat op te nemen waarin een derde [eiser] in verband brengt met een grote brand bij een pluimveebedrijf. [eiser], een dierenrechtenactivist die bekendstaat als de "[alias 1]", vordert – onder meer op straffe van een dwangsom – verwijdering van de passage en plaatsing van een rectificatie. Aanvankelijk was ook Mediahuis Nederland B.V. als gedaagde partij betrokken, maar de vordering tegen Mediahuis is ter zitting ingetrokken, zodat alleen de online publicatie op de website van De Telegraaf aan de orde is. De voorzieningenrechter wijst alle vorderingen af. De publicatie is niet onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 BW, omdat De Telegraaf de uitlating slechts als boodschapper heeft weergegeven en voldoende journalistieke zorgvuldigheid heeft betracht. De voorzieningenrechter verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. De gewraakte passage maakt deel uit van een artikel over de arrestatie van een activist die had gedreigd met brandstichting bij het kantoor van BBB. In dat artikel staat dat volgens deze activist een cel van het Animal Liberation Front onder leiding van [eiser] verantwoordelijk zou zijn voor een eerdere miljoenenbrand bij een pluimveebedrijf. Nadat [eiser] De Telegraaf had verzocht de passage te rectificeren, voegde de krant een reactie van hem aan het artikel toe waarin hij iedere betrokkenheid bij de brand en iedere band met de betreffende bron ontkent. De passage zelf werd niet verwijderd. De procedure bestond uit een kort geding met mondelinge behandeling op 24 november 2025, waarin [eiser] na debat zijn vordering tegen Mediahuis Nederland B.V. introk en uitsluitend de online publicatie op de website van De Telegraaf van [datum 1] 2025 aan de orde stelde. De voorzieningenrechter stelt voorop dat toewijzing van de gevorderde maatregelen een beperking zou vormen van de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 10 EVRM en dat die beperking alleen gerechtvaardigd kan zijn indien sprake is van onrechtmatigheid in de zin van artikel 6:162 BW. Daarom moet een afweging plaatsvinden tussen enerzijds het belang van De Telegraaf om verslag te doen van nieuwswaardige gebeurtenissen en anderzijds het belang van [eiser] om niet lichtvaardig te worden blootgesteld aan beschuldigingen die zijn eer en goede naam aantasten.
Volgens de voorzieningenrechter zal de gemiddelde lezer begrijpen dat niet De Telegraaf zelf [eiser] beschuldigt, maar dat de krant weergeeft wat een derde heeft verklaard. Daarmee vervult De Telegraaf de rol van boodschapper. Juist bij verslaggeving over interviews komt de pers een ruime mate van vrijheid toe. Een nieuwsmedium kan slechts onder bijzondere omstandigheden aansprakelijk worden gehouden voor uitlatingen van derden, bijvoorbeeld wanneer het weet dat de informatie onjuist is of onvoldoende journalistieke zorgvuldigheid betracht. Van dergelijke omstandigheden is hier geen sprake. De voorzieningenrechter acht daarbij van belang dat de betrokken journalist voorafgaand aan de publicatie uitgebreid onderzoek heeft verricht. Hij legde de verklaringen van de bron voor aan onder meer de politie, het Openbaar Ministerie, brancheorganisaties, deskundigen op het gebied van dierenactivisme, een voormalig AIVD-functionaris en andere experts. Uit dat onderzoek kwam naar voren dat [eiser] in het verleden als dierenrechtenactivist betrokken is geweest bij strafbare acties en dat verschillende onderdelen van het verhaal van de bron aansloten bij reeds bekende informatie. Hoewel [eiser] de juistheid van verschillende historische feiten betwistte, neemt dat volgens de voorzieningenrechter niet weg dat De Telegraaf voldoende aanleiding had om de uitlatingen van de bron te publiceren. Ook het ontbreken van wederhoor vóór publicatie maakt de berichtgeving niet onrechtmatig. De voorzieningenrechter benadrukt dat wederhoor geen absoluut vereiste is. In dit geval is bovendien niet aannemelijk geworden dat een voorafgaand weerwoord tot een wezenlijk ander artikel zou hebben geleid, nu [eiser] ook in deze procedure zijn betrokkenheid uitsluitend heeft ontkend. Die ontkenning is inmiddels bovendien als reactie aan het artikel toegevoegd. Daarmee is voldoende tegemoetgekomen aan zijn belangen. De voorzieningenrechter concludeert dat de publicatie niet onrechtmatig is jegens [eiser]. Er bestaat daarom geen grond om De Telegraaf te bevelen de passage te verwijderen of een rectificatie te plaatsen. De subsidiaire vordering wordt eveneens afgewezen, omdat De Telegraaf heeft toegezegd de reactie van [eiser] bij het artikel te laten staan. [eiser] wordt veroordeeld in de proceskosten, die worden begroot op € 1.999, te voldoen binnen veertien dagen na aanschrijving, te vermeerderen met € 92 plus de kosten van betekening indien het vonnis wordt betekend.
4.1. Toewijzing van de vorderingen zou een beperking vormen op het grondrecht (van in dit geval De Telegraaf) op vrijheid van meningsuiting, dat in artikel 10 lid 1 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) is neergelegd. Dat recht kan slechts worden beperkt indien dit bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (artikel 10 lid 2 EVRM). Zo’n beperking is bij de wet voorzien wanneer de uitlatingen van De Telegraaf onrechtmatig jegens [eiser] zijn in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Voor het antwoord op de vraag welk recht – het recht op vrije meningsuiting of het recht ter bescherming van eer of goede naam – in dit geval zwaarder weegt, moeten de wederzijdse belangen worden afgewogen.
4.2. Het belang van de Telegraaf is dat zij moet kunnen berichten over gebeurtenissen en ontwikkelingen in de samenleving. Het belang van [eiser] is dat hij niet lichtvaardig wordt blootgesteld aan verdachtmakingen die zijn eer en goede naam aantasten. Welk van deze belangen, die in beginsel gelijkwaardig zijn, de doorslag moet geven, hangt af van de omstandigheden van het geval.
4.5. Waar het nieuwsmedium de ‘boodschapper’ is, en de uitspraak van een derde niet tot de zijne maakt, geldt een ruime mate van vrijheid. Verslagging gebaseerd op interviews is immers een van de belangrijkste wijzen waarop de pers zijn essentiële rol als publieke waakhond kan vervullen. Alleen onder bijzondere omstandigheden kan een nieuwsmedium aansprakelijk worden gehouden voor het weergeven van uitlatingen van derden, bijvoorbeeld als zij zou weten dat die uitlating onwaar was of als zij onvoldoende journalistieke zorgvuldigheid zou hebben betracht bij de publicatie.
4.8 [eiser] stelt dat De Telegraaf hem gelegenheid had moeten bieden om een weerwoord te geven voordat het artikel werd gepubliceerd. Dat zij hem die gelegenheid niet heeft geboden, acht hij onrechtmatig. Het bieden van de mogelijkheid tot wederhoor is echter geen absoluut recht. Het is bedoeld om hiaten en fouten in de berichtgeving te voorkomen. Dat toepassing van wederhoor tot een ander artikel zou hebben geleid, is niet aannemelijk. De reactie van [eiser] zou bij de blote ontkenning zijn gebleven waarbij het in dit kort geding ook is gebleven en die inmiddels ook bij het artikel is geplaatst.
4.9. Alles afwegend zijn de uitlatingen die De Telegraaf op [datum 1] 2025 over [eiser] heeft gepubliceerd niet onrechtmatig jegens hem. Er is dan ook geen grond om De Telegraaf te gebieden het artikel van [naam 1] te verwijderen of recht te zetten, nog daargelaten dat De Telegraaf in geen geval zou kunnen worden verplicht tot het plaatsen van de gevorderde rectificatie, omdat voor De Telegraaf niet vast te stellen is of [eiser] al dan niet betrokken is geweest bij de brand in [plaats 1] . De primaire vorderingen zullen dan ook worden afgewezen.
4.10. Met de toevoeging van de reactie van [eiser] aan het artikel is voldoende tegemoet gekomen aan de belangen van [eiser] . De Telegraaf heeft toegezegd dat zij de reactie van [eiser] bij het artikel zal laten staan. Er is geen reden om dat te betwijfelen, zodat [eiser] geen belang meer heeft bij toewijzing van zijn subsidiaire vordering. Die zal daarom eveneens worden afgewezen.