Gepubliceerd op vrijdag 24 april 2026
IT 5230
Gerechtshof Amsterdam ||
14 apr 2026
Gerechtshof Amsterdam 14 apr 2026, IT 5230; ECLI:NL:GHAMS:2026:1035 ([appellanten] tegen [geïntimeerde]), https://www.itenrecht.nl/artikelen/schade-na-crypto-investeringen-niet-aangetoond

Schade na crypto-investeringen niet aangetoond

Hof Amsterdam 14 april 2026, IT 5230; ECLI:NL:GHAMS:2026:1035 ([appellanten] tegen [geïntimeerde]). Het gerechtshof Amsterdam bekrachtigt het vonnis van de rechtbank, omdat appellanten, na het tussenarrest van 3 juni 2025, onvoldoende hebben aangetoond dat zij als gevolg van de eerder aangenomen tekortkoming van geïntimeerde schade hebben geleden en hoe groot die schade dan zou zijn. Het hof had hun opgedragen om per appellant inzichtelijk te maken wat de ingelegde cryptovaluta zouden hebben opgeleverd als die na eind oktober 2018 elders ter belegging waren ondergebracht, vergeleken met wat zij daadwerkelijk van geïntimeerde hebben ontvangen, uitgaande van de tegenwaarde in euro op de data van inleg en uitkering en met 1 oktober 2020 als peildatum. Volgens het hof hebben appellanten die instructies niet gevolgd: hun berekeningen voor onder meer [appellant 11] en [appellant 1] sluiten niet aan bij de feitelijke, in ethereum verrichte uitkeringen in december 2020 en januari 2021, en voor andere appellanten ontbreekt zelfs inzicht in de berekeningsmethode.

Het hof oordeelt daarnaast uitdrukkelijk dat in het tussenarrest niet is beslist dat geïntimeerde de cryptovaluta of de eurowaarde daarvan al op 1 oktober 2020 had moeten uitkeren, zodat appellanten hun schade niet konden baseren op een veronderstelde uitkeringsverplichting per die datum en daarop voortbouwende koersschade. Nu appellanten evenmin per appellant hebben toegelicht wat zij feitelijk hebben ontvangen, dan wel welke cryptovaluta geïntimeerde op de peildatum voor hen hield, is het bestaan en de omvang van de schade niet komen vast te staan. Daarom zijn de vorderingen tot schadevergoeding en kosten niet toewijsbaar, hebben appellanten onvoldoende belang bij de gevorderde verklaring voor recht, en wordt het bestreden vonnis bekrachtigd. Appellanten worden hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten van het principaal hoger beroep, begroot op € 18.302,50 plus nasalaris en rente, terwijl geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep wordt veroordeeld in de kosten van appellanten, begroot op € 3.340.

2.5.

Het hof komt tot de conclusie dat [appellanten] , ondanks de daartoe gegeven instructies in het tussenarrest, niet de gegevens en toelichting hebben verstrekt die nodig zijn om te beoordelen of [appellanten] schade hebben geleden en, zo ja, wat de omvang daarvan is. Voor andere appellanten dan [appellant 11] en [appellant 1] hebben [appellanten] bovendien volstaan met een ‘schadeoverzicht’ dat in het geheel geen inzicht geeft in de wijze waarop de daarin vermelde bedragen zijn berekend.

Wat de positie van [appellant 5] betreft geldt dat, ook als ervanuit gegaan wordt dat hij, zoals hij stelt, de positie van een ander heeft overgenomen, eveneens onvoldoende gegevens zijn verschaft om te kunnen beoordelen of, en zo ja, in welke mate, hij schade heeft geleden. Het hof verwijst naar het vorenstaande.

2.6.

De slotsom is daarom dat [appellanten] niet hebben aangetoond dat zij schade hebben geleden, zodat hun vorderingen tot betaling van schadevergoeding en kosten niet toewijsbaar zijn. Bij de gevorderde verklaring voor recht hebben zij, mede gelet op het ontbreken van een concrete toelichting op dat punt, onvoldoende belang. Het bestreden vonnis zal daarom worden bekrachtigd.