Gepubliceerd op vrijdag 24 april 2026
IT 5232
Rechtbank Midden-Nederland ||
15 jan 2025
Rechtbank Midden-Nederland 15 jan 2025, IT 5232; ECLI:NL:RBMNE:2025:84 ([eiseres] tegen [gedaagde]), https://www.itenrecht.nl/artikelen/softwareontwikkelopdracht-tussentijds-geeindigd-geen-tekortkoming-wel-nadere-beoordeling-redelijk-loon-ex-art-7-411-bw

Softwareontwikkelopdracht tussentijds geëindigd: geen tekortkoming, wel nadere beoordeling redelijk loon ex art. 7:411 BW

Rb. Midden-Nederland 15 januari 2025, IT 5232; ECLI:NL:RBMNE:2025:84 ([eiseres] tegen [gedaagde]). De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen een overeenkomst van opdracht gold voor de ontwikkeling van de applicatie One Invoice, en dat niet is komen vast te staan dat de later toegezonden aangepaste offerte van 19 oktober 2022 door [eiseres] is aanvaard; daarom blijft de oorspronkelijke opdrachtbevestiging maatgevend. De rechtbank verwerpt vervolgens de primaire grondslag van [eiseres] dat [gedaagde] toerekenbaar is tekortgeschoten. Niet is bewezen dat een betaversie in januari 2022 moest zijn opgeleverd, en voor zover van vertraging sprake was, hing die samen met de ziekte van ontwikkelaar [A], waarvoor [eiseres] destijds begrip had getoond. Ook het door [eiseres] ingebrachte ICT-rapport levert geen bewijs van tekortkoming op: de daarin gestelde vragen zien op wat is opgeleverd, de bruikbaarheid daarvan voor een derde en de economische waarde ervan, maar niet op de juridisch beslissende maatstaf of [gedaagde] heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend opdrachtnemer mag worden verwacht. Verder geldt dat partijen een vaste prijs waren overeengekomen en géén afspraken hadden gemaakt over concrete tussenstadia van het werk of de opeisbaarheid van delen van die prijs; daarom kan een eventuele discrepantie tussen de economische waarde van het tussenresultaat en het reeds betaalde bedrag op zichzelf geen tekortkoming opleveren. De door [eiseres] ingeroepen buitengerechtelijke ontbinding is dus ten onrechte ingeroepen, en ook haar omzettingsverklaring ex art. 6:87 BW blijft zonder rechtsgevolg.

De rechtbank acht de door [gedaagde] gedane opzegging vervolgens rechtsgeldig. Voor zover [eiseres] al heeft bedoeld daaraan de grondslag van onrechtmatige opzegging toe te voegen, faalt die grondslag, omdat uit de correspondentie blijkt dat de verhouding door vertraging, discussie over uren en voortgang, behoefte aan nadere verantwoording en gebrekkige communicatie van beide kanten zodanig was verstoord dat sprake was van een werkelijke vertrouwensbreuk. Beide partijen waren op grond van de algemene voorwaarden bevoegd de overeenkomst op te zeggen. Voor de financiële afwikkeling komt de rechtbank uit bij artikel 7:411 lid 1 BW: nu de opdracht is geëindigd vóór voltooiing, heeft [gedaagde] recht op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon. Haar beroep op art. 7:411 lid 2 BW — dus aanspraak op het volle loon omdat het einde van de opdracht aan [eiseres] zou zijn toe te rekenen — wordt verworpen, omdat de rechtbank oordeelt dat de vertrouwensbreuk aan beide partijen toerekenbaar is. Tegelijk beslist de rechtbank nadrukkelijk nog niet welk loon redelijk is: [eiseres] kan dat niet simpelweg koppelen aan de economische waarde uit het ICT-rapport, mede omdat dat rapport zonder hoor en wederhoor tot stand kwam, maar [gedaagde] heeft evenmin voldoende inzichtelijk gemaakt waarom zij het reeds ontvangen bedrag mag behouden. Daarom gaat het hier om een tussenvonnis: de rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan, verwijst de zaak naar de rol voor een nadere uitlating, eerst door [gedaagde], uitsluitend over het redelijke loon ex art. 7:411 lid 1 BW, en geeft partijen in overweging een schikking te onderzoeken.

4.6.

Kort samengevat zijn de vragen (zie nr. 2.35) die aan het ICT-rapport ten grondslag liggen: wat heeft [gedaagde] geleverd?, is dit bruikbaar is voor afronding door een derde? en wat is daarvan de waarde is in het economisch verkeer? Deze vragen zijn niet richtinggevend voor de beoordeling van de kwaliteit van de werkzaamheden door [A] en de nakoming door [gedaagde] van haar verplichtingen. Voor die beoordeling is richtinggevend of dat wat [A] en met hem [gedaagde] ter uitvoering van de opdracht hebben verricht, gelet op de inhoud van de opdracht en de omstandigheden waaronder die is uitgevoerd, overeenkomt met hetgeen van een redelijk handelend en redelijk bekwaam opdrachtnemer verwacht mag worden. De bevindingen in het ICT-rapport geven hierover geen uitsluitsel.

4.7.

Uit de antwoorden op de vragen 2 en 3 van het ICT-rapport blijkt een discrepantie tussen ‘de waarde in het economisch verkeer van het door [gedaagde] geleverde materiaal’ en ‘de gefactureerde inspanning’. De waarde in het economisch verkeer is volgens het rapport € 3.500,- tot € 4.300,- en de gefactureerde inspanning € 30.000,-. Op basis van die waarde en dat verschil stelt [eiseres] dat er sprake is van een tekortkoming. Die stelling gaat niet op. Partijen hebben een vaste prijs afgesproken. [gedaagde] diende aan het einde van het traject ‘One Invoice’ op te leveren waarvoor [eiseres]
€ 50.000,- diende te betalen. Of op het moment van een tussentijdse beëindiging van de werkzaamheden sprake is van een tekortkoming hangt af van de vraag of partijen over de stand van het werk op dat moment een afspraak hebben gemaakt. Daarvan is geen sprake. Uit de Opdracht blijkt geen afspraak over stadia in de stand van het werk en daaraan gerelateerde opeisbaarheid van de delen van de vaste prijs. De stand van het werk op het moment van beëindiging van de opdracht is reeds daarom niet te relateren aan de op dat moment verrichte betalingen. De - door [eiseres] gestelde en door [gedaagde] betwiste - discrepantie tussen de waarde in het economisch verkeer van het werk (wat daar overigens ook van zij) en het door [eiseres] betaalde bedrag levert dus op zich geen tekortkoming op.

4.8.

De conclusie is dat stellingen van [eiseres] niet kunnen leiden tot de vaststelling van een tekortkoming door [gedaagde] . Dat betekent dat door [eiseres] de ontbinding van de opdracht onterecht is ingeroepen. Het beroep op ontbinding slaagt dus niet. Bij gebreke van een tekortkoming door [gedaagde] blijft ook de omzettingsverklaring van [eiseres] dat geen nakoming maar vervangende schadevergoeding wordt gevraagd, zonder rechtsgevolg.