Gepubliceerd op vrijdag 13 maart 2026
IT 5135
Rechtbank Gelderland ||
7 nov 2025
Rechtbank Gelderland 7 nov 2025, IT 5135; ECLI:NL:RBGEL:2025:11897 (de officier van justitie tegen Jasper [naam]), https://www.itenrecht.nl/artikelen/strafzaak-over-gewoonte-van-online-handelsfraude-en-schadevergoeding-aan-gedupeerden

Strafzaak over gewoonte van online handelsfraude en schadevergoeding aan gedupeerden

Rb. Gelderland 7 november 2025, IT&R 5135; ECLI:NL:RBGEL:2025:11897 (de officier van justitie tegen Jasper [naam]). De rechtbank veroordeelt verdachte wegens het primair tenlastegelegde feit: hij heeft in de periode van 5 juni 2022 tot en met 9 februari 2024 een gewoonte gemaakt van het via een geautomatiseerd werk verkopen van goederen of diensten met het oogmerk om zonder volledige levering zich van de betaling daarvan te verzekeren. Bewezen is dat hij via Facebook Marketplace, Marktplaats.nl en 2dehands.net in 29 gevallen kopers tot betaling heeft bewogen voor onder meer afkortzagen, Makita-accu’s, Festool-gereedschap, een Reximex-luchtbuks, Zwarte Cross-tickets, een golfkar, een Garmin-horloge en Milwaukee-accu’s, terwijl levering uitbleef. De rechtbank verwerpt het verweer dat onvoldoende vaststond dat de gebruikte bankrekeningen aan verdachte toebehoorden: zij acht de processen-verbaal over de tenaamstelling betrouwbaar en betrekt daarbij ook de verklaring van verdachte dat hij “allemaal rekeningnummers” moest openen. Voor 25 aangiften staat rechtstreeks vast dat betalingen zijn gedaan op rekeningen op naam van verdachte; voor vier andere aangiften leidt de rechtbank zijn betrokkenheid af uit schakelbewijs, zoals hetzelfde telefoonnummer, terugkerende namen, overeenkomende rekeningnummers en een consistente modus operandi. De rechtbank acht bovendien bewezen dat het nooit de bedoeling is geweest de goederen of diensten te leveren, onder meer omdat verdachte niet meer reageerde op berichten over uitblijvende levering of terugbetaling en uit het dossier niet blijkt van enig begin van daadwerkelijke levering. Medeplegen acht de rechtbank niet bewezen, zodat vrijspraak volgt van dat onderdeel, maar voor het overige wordt het primaire feit bewezen verklaard.

Bij de strafoplegging weegt de rechtbank mee dat verdachte gedurende ruim 21 maanden stelselmatig heeft gefraudeerd, 29 kopers heeft gedupeerd en hen gezamenlijk voor bijna € 8.000 heeft benadeeld, terwijl zijn handelen het vertrouwen in online handel aantast. Ook houdt zij rekening met zijn persoonlijke omstandigheden, eerdere veroordelingen en de toepasselijkheid van artikel 63 Sr. De rechtbank legt daarom een gevangenisstraf van 20 maanden op, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Verder hebben zich 16 benadeelde partijen gevoegd. De rechtbank verklaart de vordering tot smartengeld van één benadeelde partij niet-ontvankelijk, omdat het bewezenverklaarde in beginsel geen grondslag biedt voor immateriële schadevergoeding en die vordering onvoldoende is onderbouwd. De materiële schadevorderingen van 15 benadeelde partijen worden grotendeels toegewezen, telkens vermeerderd met wettelijke rente vanaf de pleegdatum, en de rechtbank legt tevens de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op. Enkele onderdelen van vorderingen worden niet-ontvankelijk verklaard, onder meer een onvoldoende onderbouwde extra investering van € 200, proceskosten van € 208,50 en het deel van een vordering dat uitstijgt boven het concreet onderbouwde schadebedrag; daarnaast corrigeert de rechtbank één gevorderd bedrag van € 350 naar € 340 conform de aangifte, terwijl zij bij de Zwarte Cross-tickets juist € 180 toewijst omdat dat bedrag met bankafschriften was onderbouwd, ook al noemt de bewezenverklaring daar € 120.

Oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling

Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat het nooit de intentie is geweest van verdachte om de goederen en/of diensten te leveren. De rechtbank leidt dit onder meer af uit de verklaringen van aangevers dat verdachte uiteindelijk niet meer reageerde op hun berichten over het uitblijven van de levering of hun verzoek om terugbetaling. Daarbij is uit het onderzoek op geen enkele manier naar voren gekomen dat verdachte daadwerkelijk een begin heeft gemaakt om de genoemde goederen en/of diensten te leveren. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte de goederen en/of diensten heeft verkocht met het oogmerk deze bij voorbaat niet te leveren en zichzelf wederrechtelijk te bevoordelen. De verkoop en communicatie vond telkens plaats via Marktplaats, Facebook en 2dehands.net, zodat sprake is van online handelsfraude.

Gewoonte

Verdachte heeft zich in een periode van ruim 21 maanden op verschillende tijdstippen ten minste 29 maal schuldig gemaakt aan online handelsfraude. Gelet op voorgaande en de modus operandi (via Marktplaats, veelal dezelfde goederen en dezelfde gebruikte namen) oordeelt de rechtbank dat sprake is van een gewoonte als bedoeld in artikel 326e van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

Vrijspraak medeplegen

De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat sprake is geweest van een (zodanig nauwe en bewuste) samenwerking tussen de verdachte en (een) mededader(s) dat gezegd kan worden dat verdachte de ten laste gelegde online handelsfraude tezamen en in vereniging met een ander heeft gepleegd, zodat verdachte van dat onderdeel zal worden vrijgesproken.

Conclusie

De rechtbank komt dan ook tot bewezenverklaring van het primaire feit, met uitzondering van medeplegen.