5 aug 2026,
Verzekeraar mocht persoonsgegevens verwerken bij onderzoek naar recht op overlijdensrisico-uitkering
Rb. Noord-Holland 5 augustus 2026, IT 5602; ECLI:NL:RBNHO:2026:9872 ([eiser] tegen iptiQ). Een man vordert van verzekeraar iptiQ Life (iptiQ) een uitkering van € 249.000 uit een overlijdensrisicoverzekering na het overlijden van zijn echtgenoot. De verzekeraar weigert uitkering omdat volgens haar sprake is van zelfdoding binnen twee jaar na de ingangsdatum van de verzekering, waarvoor de polisvoorwaarden een uitsluiting bevatten. Om de doodsoorzaak vast te stellen, heeft iptiQ onderzoek laten uitvoeren, waarbij onder meer openbare internetbronnen zijn geraadpleegd en betrokkenen zijn geïnterviewd. Ook zijn later WhatsApp-berichten onderzocht. Volgens de man zijn de onderzoeksresultaten onrechtmatig verkregen wegens strijd met de Gedragscode Persoonlijk Onderzoek (GPO), de Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Verzekeraars (GVPV) en de AVG. De rechtbank oordeelt dat het raadplegen van openbare internetbronnen, waaronder de Facebookpagina van de overleden echtgenoot, geen persoonlijk onderzoek in de zin van de GPO vormt. Het daaropvolgende onderzoek door onderzoeksbureau Sedgwick kwalificeert wel als persoonlijk onderzoek, maar was gerechtvaardigd en voldeed aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. De onderzoeksresultaten zijn daarom niet onrechtmatig verkregen en mogen als bewijs worden gebruikt.
Ook de resultaten van het latere onderzoek naar de verklaringen van de moeder van de overledene en de WhatsApp-berichten mogen volgens de rechtbank worden meegewogen. Hoewel de GPO op dat moment niet meer van toepassing was, golden voor de verwerking van persoonsgegevens wel de waarborgen van de AVG. De rechtbank oordeelt dat de verwerking van de persoonsgegevens van de man op grond van artikel 6 lid 1 onder f AVG rechtmatig was, omdat iptiQ een gerechtvaardigd belang had bij het onderzoeken van haar uitkeringsplicht. Er was geen minder ingrijpende manier beschikbaar om de informatie nader te onderzoeken en het belang van de verzekeraar woog zwaarder dan het privacybelang van de man. Ook het beroep op schending van de informatieplicht uit de GVPV slaagt niet. De rechtbank overweegt bovendien dat eventueel onrechtmatig verkregen bewijs niet zonder meer van gebruik in een civiele procedure is uitgesloten. Op basis van de beschikbare feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, oordeelt de rechtbank dat het overlijden het gevolg was van zelfdoding in de zin van de polisvoorwaarden. Omdat dit binnen twee jaar na de ingangsdatum van de verzekering plaatsvond, is iptiQ geen uitkering verschuldigd. De vorderingen worden afgewezen.
4.15.
De rechtbank volgt [eiser] evenmin in zijn stelling dat de transcripties van de (naderhand nog gehouden) interviews met de moeder van [erflater] en de drie overgelegde WhatsApp-berichten (zie 4.5) buiten beschouwing moeten blijven. Het stond iptiQ vrij om via TAF/Sedgwick onderzoek te doen naar het waarheidsgehalte van de - voor de uitkeringsplicht relevante - uitlatingen die de moeder van [erflater] op eigen initiatief op 31 december 2025 aan TAF heeft gedaan. Het interviewen van haar en het nagaan van de authenticiteit van de door haar gemelde WhatsApp-berichten afkomstig van [eiser] leveren, anders dan [eiser] stelt, geen strijd met de GPO op, reeds omdat de GPO op dat moment niet meer van toepassing was. Dat neemt niet weg dat bij deze persoonsgerichte onderzoeken waarborgen gelden, zoals deze zijn neergelegd in de AVG.4 Uit artikel 5 AVG volgt dat persoonsgegevens moeten worden verwerkt op een wijze die ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk en transparant is. In artikel 6 lid 1 AVG is bepaald dat de verwerking alleen rechtmatig is als een van de in deze bepaling genoemde voorwaarden is voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank is voldaan aan voorwaarde f) die als volgt luidt: “de verwerking is noodzakelijk voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of een derde, behalve wanneer de belangen of grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen dan die belangen, net name wanneer de betrokkene een kind is.” De rechtbank licht dit oordeel hierna verder toe.
4.16.
Vast staat dat de moeder van [erflater] zich bij TAF had gemeld met informatie dat [erflater] zichzelf van het leven zou hebben beroofd. IptiQ had daarom een gerechtvaardigd belang om nader onderzoek te doen naar deze informatie om haar uitkeringsplicht vast te kunnen stellen. Dit onderzoek heeft eruit bestaan dat iptiQ Sedgwick de moeder van [erflater] heeft laten interviewen en dat drie door de moeder van [erflater] beschikbaar gestelde WhatsApp-berichten tussen haar en [eiser] over (het overlijden van) [erflater] zijn bekeken en op authenticiteit onderzocht. In deze berichten en verklaringen gaat het ook over (het persoonlijk leven van) [eiser] , zodat daarmee zijn persoonsgegevens zijn verwerkt. Niet valt in te zien dat er een minder vergaande manier was om nader onderzoek te doen naar de verklaring van de moeder van [erflater] en de beschikbaar gestelde berichten. Het doel van de verwerking van persoonsgegevens van [eiser] staat in de gegeven omstandigheden ook in redelijke verhouding tot de inbreuk op de privacy van [eiser] die dit meebrengt. Het belang van [eiser] bij eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer weegt dan ook niet zwaarder dan het belang dat iptiQ had om het hiervoor bedoelde nadere onderzoek te doen en zijn persoonsgegevens daarbij te verwerken.
4.17.
[eiser] voert nog aan dat iptiQ in strijd met artikel 6 GVPV heeft nagelaten hem te informeren over de verwerking van de persoonsgegevens. Niet in geschil is dat iptiQ [eiser] pas bij de akte die zij kort voor de zitting van 20 januari 2026 heeft ingediend, volledig heeft geïnformeerd over het feit dat de moeder van [erflater] zich tot TAF had gewend met informatie en over het daarop volgende nadere onderzoek naar die informatie. De rechtbank constateert dat in artikel 6.1.1. GVPV is bepaald dat de verzekeraar de betrokkene bij het verzamelen van persoonsgegevens via andere kanalen of uit andere bronnen dan direct van de betrokkene, binnen een maand na de verzameling ervan moet informeren. Die maand was ten tijde van de zitting in deze zaak nog niet verstreken. Bovendien heeft [eiser] niet gesteld in welk belang hij is geschaad doordat iptiQ hem niet eerder of op andere wijze had geïnformeerd.
4.18.
De resultaten van het nadere onderzoek dat iptiQ heeft laten uitvoeren kunnen dus ook worden meegewogen bij de beoordeling van de zaak. Voor zover over het voorgaande al anders zou moeten worden geoordeeld en de transcripties van de interviews met de moeder van [erflater] en de app-berichten als onrechtmatig verkregen bewijs zouden moeten worden aangemerkt, betekent dat overigens nog niet per definitie dat dit bewijs ook terzijde moet worden gelegd. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad5 wegen in beginsel het algemene maatschappelijke belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, alsmede het belang dat partijen erbij hebben hun stellingen in rechte aannemelijk te kunnen maken, welke belangen mede aan artikel 152 Rv ten grondslag liggen, zwaarder dan het belang van uitsluiting van bewijs. Slechts indien sprake is van bijkomende omstandigheden is de terzijdelegging van dit bewijs gerechtvaardigd.
4.19.
Die bijkomende omstandigheden doen zich in dit geval niet voor. IptiQ heeft het belang van waarheidsvinding en het belang dat zij heeft om in rechte haar stellingen aannemelijk te maken voldoende gesteld. Onweersproken staat vast dat andere manieren om de informatie te verkrijgen niet beschikbaar waren. Vanuit de politie werden er geen aanvullende bescheiden verstrekt in de vorm van een opgemaakt proces-verbaal of mutatie naar aanleiding van het overlijden van [erflater] . Gelet op de (in omvang en ingrijpendheid beperkte) inbreuk die is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [eiser] mogen de transcripties van de interviews met de moeder van [erflater] en de WhatsApp-berichten dan ook in deze procedure gebruikt worden. Daarbij merkt de rechtbank wel op dat zij met behoedzaamheid kijkt naar de verklaringen van de moeder van [erflater] , nu gebleken is dat de verstandhouding tussen haar en [eiser] behoorlijk is verslechterd en zij zich mogelijk uit rancune tot TAF heeft gewend.