8 jul 2026,
Vijf Apple App Stores vormen één kernplatformdienst onder DMA
Gerecht EU 8 juli 2026, IT 5377; ECLI:EU:T:2026:451 (Apple tegen Europese Commissie). Het Gerecht behandelt drie voor het arrest gevoegde beroepen van Apple tegen besluiten van de Europese Commissie op grond van de Digital Markets Act (DMA). Apple meldt de Commissie op 3 juli 2023 dat zij de kwantitatieve drempels van art. 3 lid 2 DMA bereikt voor de iOS App Store, het besturingssysteem iOS, de webbrowser Safari en de chatdienst iMessage. Ten aanzien van iMessage betoogt Apple dat deze dienst niet kan worden gekwalificeerd als een nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiedienst (NI-ICS) en daarmee evenmin als een kernplatformdienst in de zin van de DMA. Subsidiair voert Apple aan dat de omstandigheden waarin iMessage wordt gebruikt meebrengen dat deze dienst geen belangrijke toegangspoort voor zakelijke gebruikers tot eindgebruikers vormt. De Commissie opent daarop een marktonderzoek naar iMessage en wijst Apple bij afzonderlijk besluit aan als poortwachter voor drie kernplatformdiensten: de App Store, iOS en Safari. Na afloop van het marktonderzoek besluit de Commissie Apple niet als poortwachter voor iMessage aan te wijzen, maar kwalificeert zij iMessage wel als NI-ICS en daarmee als kernplatformdienst. Apple stelt tegen deze besluiten drie beroepen tot nietigverklaring in. In zaak T-1079/23 vordert zij nietigverklaring van het besluit tot inleiding van het marktonderzoek en bestrijdt zij de daaraan ten grondslag liggende kwalificatie van iMessage als NI-ICS. In zaak T-1080/23 komt Apple op tegen het aanwijzingsbesluit. Zij voert ten eerste bij wege van exceptie van onwettigheid op grond van art. 277 VWEU aan dat art. 6 lid 7 DMA geen adequate toepassing van het in art. 52 lid 1 Handvest neergelegde evenredigheidsbeginsel waarborgt en onvoldoende bescherming biedt aan grondrechten, in het bijzonder het eigendomsrecht. Volgens Apple moet de bepaling daarom buiten toepassing worden gelaten en moet het aanwijzingsbesluit worden vernietigd voor zover de aanwijzing van iOS haar aan de daarin neergelegde interoperabiliteitsverplichtingen onderwerpt. Ten tweede bestrijdt Apple de beoordeling dat de iOS, iPadOS, watchOS, macOS en tvOS App Stores gezamenlijk één onlinetussenhandelsdienst en één kernplatformdienst vormen. Volgens Apple hebben deze App Stores verschillende doeleinden, worden zij op verschillende apparaten en door zakelijke gebruikers en eindgebruikers op verschillende wijzen gebruikt en moeten zij daarom afzonderlijk worden beoordeeld. In dat geval overschrijdt alleen de iOS App Store de drempels van art. 3 lid 2 DMA. Ten derde stelt Apple dat de Commissie iMessage ten onrechte als NI-ICS heeft gekwalificeerd. In zaak T-214/24 vorderen Apple Inc. en Apple Distribution International Ltd ten slotte nietigverklaring van het besluit tot sluiting van het marktonderzoek, voor zover de Commissie daarin vasthoudt aan de kwalificatie van iMessage als NI-ICS.
Het Gerecht verwerpt het beroep in zaak T-1080/23. Het eerste en derde middel zijn niet-ontvankelijk en het tweede middel wordt ongegrond verklaard. De beroepen in de zaken T-1079/23 en T-214/24 worden niet-ontvankelijk verklaard. De exceptie van onwettigheid tegen art. 6 lid 7 DMA is niet-ontvankelijk. Een bepaling van algemene strekking kan op grond van art. 277 VWEU in een procedure tegen een individueel besluit incidenteel worden aangevochten wanneer zij de rechtsgrondslag van dat besluit vormt of daarmee rechtstreeks juridisch verband houdt. Het aanwijzingsbesluit berust op art. 3 DMA en heeft betrekking op de aanwijzing van Apple als poortwachter en op de identificatie van haar belangrijke toegangspoorten. Art. 6 lid 7 DMA regelt daarentegen de interoperabiliteitsverplichtingen waaraan een onderneming na haar aanwijzing als poortwachter moet voldoen. De bepaling vormt geen rechtsgrondslag van het aanwijzingsbesluit en draagt evenmin bij aan de motivering daarvan. Dat Apple na haar aanwijzing aan art. 6 lid 7 DMA moet voldoen, vloeit volgens het Gerecht niet voort uit het aanwijzingsbesluit zelf, maar uit art. 3 lid 10 DMA, gelezen in samenhang met art. 6 lid 1 DMA. Het aanwijzingsbesluit vormt daarom geen toepassingsmaatregel van art. 6 lid 7 DMA. De DMA kent twee van elkaar te onderscheiden fasen: de aanwijzing van een onderneming als poortwachter en de daaropvolgende toepassing en uitvoering van de materiële verplichtingen. Deze scheiding vloeit rechtstreeks voort uit de opzet van de DMA. De niet-ontvankelijkheid van de exceptie schendt het recht op effectieve rechterlijke bescherming van art. 47 Handvest niet. Apple kan de geldigheid van art. 6 lid 7 DMA aanvechten in een procedure tegen een latere uitvoeringshandeling van de Commissie, bijvoorbeeld tegen een op grond van art. 8 DMA vastgesteld besluit waarin de Commissie bepaalt welke maatregelen Apple moet nemen om aan die verplichting te voldoen. Daarvoor hoeft de Commissie niet eerst vast te stellen dat Apple de DMA heeft overtreden.
Het Gerecht komt daarom niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de evenredigheid van art. 6 lid 7 DMA of de verenigbaarheid daarvan met Apples grondrechten. Het tweede middel, betreffende de kwalificatie van de vijf App Stores als één kernplatformdienst, wordt ongegrond verklaard. Uit de definities van onlinetussenhandelsdienst en appstore in art. 2 DMA volgt dat een appstore zakelijke gebruikers in staat stelt softwareapplicaties aan eindgebruikers aan te bieden met het oog op het faciliteren van het initiëren van directe transacties tussen hen. Deze kwalificatie hangt niet af van het apparaat waarop de appstore beschikbaar is of van het besturingssysteem waarop de aangeboden applicaties functioneren. De definitie van een kernplatformdienst moet technologieneutraal worden toegepast, zodat de afbakening daarvan niet kan variëren naargelang van de technische keuzes van de poortwachter. Diensten binnen dezelfde categorie kunnen wel afzonderlijke kernplatformdiensten vormen wanneer eindgebruikers of zakelijke gebruikers ze voor verschillende doeleinden gebruiken. Apple toont volgens het Gerecht echter niet aan dat dit bij haar vijf App Stores het geval is. De aangevoerde verschillen in gebruiksfrequentie, applicatieaanbod, omvang van de catalogus, presentatie en gebruikerservaring houden verband met de aard, functie en het gebruik van de verschillende apparaten. Zij tonen niet aan dat zakelijke gebruikers en eindgebruikers de App Stores voor verschillende doeleinden gebruiken. Alle vijf App Stores worden in essentie gebruikt voor het distribueren van softwareapplicaties en het faciliteren van directe transacties tussen ontwikkelaars en eindgebruikers. De vergelijkbare regels, contractuele voorwaarden, technische specificaties en ondersteunende diensten, evenals Apples eigen presentatie van de App Store als één dienst, ondersteunen die conclusie aanvullend. Het aanwijzingsbesluit heeft uitsluitend betrekking op de App Stores die Apple tijdens de aanwijzingsprocedure heeft aangemeld. Een toekomstige appstore van Apple valt daarom niet automatisch onder dezelfde aanwijzing. Bij gewijzigde omstandigheden kan de Commissie het aanwijzingsbesluit bovendien op grond van art. 4 lid 1 DMA heroverwegen, wijzigen of intrekken. Het derde middel in zaak T-1080/23, betreffende de kwalificatie van iMessage als NI-ICS, is niet-ontvankelijk. Een beroep tot nietigverklaring op grond van art. 263 VWEU staat slechts open tegen handelingen die bindende rechtsgevolgen teweegbrengen en de rechtspositie van de verzoeker aanmerkelijk wijzigen. In beginsel kan alleen het dispositief van een besluit dergelijke rechtsgevolgen hebben. Beoordelingen in de motivering kunnen slechts worden getoetst wanneer zij noodzakelijk zijn ter ondersteuning van het dispositief of de betekenis daarvan wezenlijk wijzigen. Hoewel de Commissie iMessage in de motivering van het aanwijzingsbesluit als NI-ICS en kernplatformdienst kwalificeert, is iMessage niet in het dispositief opgenomen als een belangrijke toegangspoort waarvoor Apple als poortwachter wordt aangewezen. De kwalificatie vormt evenmin een noodzakelijke ondersteuning van het dispositief. Zij onderwerpt Apple daarom niet aan de verplichtingen van de DMA. Die verplichtingen gelden slechts wanneer de betrokken kernplatformdienst op grond van art. 3 lid 9 DMA uitdrukkelijk in het dispositief van een aanwijzingsbesluit is opgenomen. De kwalificatie van iMessage als NI-ICS geldt ook niet definitief voor toekomstige beoordelingen. Bij een eventuele latere evaluatie moet de Commissie de dan geldende omstandigheden opnieuw beoordelen. De kwalificatie bindt evenmin de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties bij de toepassing van het Europees wetboek voor elektronische communicatie, omdat de DMA en het op grond van dat wetboek ingevoerde nationale recht afzonderlijke rechtsregelingen vormen. Om dezelfde redenen zijn ook de beroepen tegen de opening en sluiting van het marktonderzoek in de zaken T-1079/23 en T-214/24 niet-ontvankelijk. Het eerste besluit opent uitsluitend een onderzoek naar de vraag of iMessage een belangrijke toegangspoort vormt. Het tweede besluit sluit dat onderzoek af met de voor Apple gunstige conclusie dat zij voor iMessage niet als poortwachter wordt aangewezen. De daarin opgenomen kwalificatie van iMessage als NI-ICS en kernplatformdienst heeft geen bindende rechtsgevolgen en wijzigt Apples rechtspositie niet aanmerkelijk. Het Gerecht hoeft daarom niet te beoordelen of het besluit tot inleiding van het marktonderzoek tevens een voorbereidende handeling is. Apple Inc. en Apple Distribution International Ltd dragen hun eigen kosten en die van de Commissie in de drie zaken. Apple Inc. draagt daarnaast de kosten van Coalition for App Fairness in zaak T-1080/23. De overige interveniënten dragen hun eigen kosten.
87. Apple maakt echter geen melding van gegevens die erop wijzen dat elk van de App Stores, afhankelijk van het apparaat waarop zij wordt gebruikt, zowel door de eindgebruikers als door de zakelijke gebruikers anders wordt gebruikt dan de andere App Stores. Apple heeft weliswaar gegevens aangedragen die met name betrekking hebben op de frequentie van het gebruik van elk van de App Stores in dezelfde periode, het soort gedownloade applicaties, de omvang van de catalogus van de aangeboden applicaties of de wijze waarop elke appstore op elk betrokken apparaat wordt gepresenteerd, maar deze gegevens doen er niet aan af dat die gebruikers en ondernemingen alle App Stores voor hetzelfde doel gebruiken, namelijk in essentie een directe transactie sluiten met betrekking tot de betrokken softwareapplicaties, overeenkomstig de definitie van een appstore voor de doeleinden van de DMA zoals uiteengezet in punt 76 hierboven. De Commissie heeft dus terecht vastgesteld dat alle App Stores voor dezelfde doeleinden werden gebruikt en dus als één KPD konden worden beschouwd.
147. Zonder dat hoeft te worden onderzocht of het besluit tot inleiding van het marktonderzoek een voorbereidende handeling is, moeten het middel in zaak T‑1079/23 en dat in zaak T‑214/24 dus niet-ontvankelijk worden verklaard en moeten de beroepen in die zaken dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.