IT 2543

Voormalig artiestenmanager vordert met succes NRC-artikel over relatief licht vergrijp uit Google zoekresultaten

Rechtbank Amsterdam 15 februari 2018, IT 2543; ECLI:NL:RBAMS:2018:1644 (Voormalig artiestenmanager tegen Google en NRC) Vergeetrecht. Rekest; toewijzing verzoek tot verwijdering van persoonsgegevens uit zoekresultaat van zoekmachine Google; reikwijdte verbod verwerking bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in art. 16 Wbp; Costeja-arrest, belangenafweging; strafrechtelijke persoonsgegevens met privacygevoelig karakter, onvoldoende zwaarwegend publiek belang. Verzoeker wijst er daartoe – samengevat – op dat de koppeling verwijst naar het NRC-artikel dat een proces beschrijft dat dateert van (inmiddels) tien jaar geleden en dat bovendien veel onjuistheden bevat. De koppeling maakt dat [verzoeker] nog regelmatig wordt geconfronteerd met dit strafbare feit, een relatief licht vergrijp, terwijl hem daarvoor reeds een taakstraf is opgelegd die hij zonder protest heeft ondergaan; daarmee wordt verzoeker door de koppeling aanvullend gestraft.

4.21. Ook de persoon van [verzoeker] maakt niet dat de belangenafweging in zijn nadeel moet uitvallen. Het enkele feit dat hij naar eigen zeggen tal van beroemdheden uit de muziekwereld professioneel heeft bijgestaan, maakt niet dat hij zelf actief de publiciteit zoekt (en dat is ook niet gebleken), noch kan worden gezegd dat hij anderszins een rol in het openbare leven speelt, zodat hij niet is aan te merken als een public figure.

4.22. Ten slotte is het op zich juist – zoals Google heeft aangevoerd – dat het artikel gaat over het handelen van [verzoeker] zelf, zodat gezegd kan worden dat hij de gevolgen van dat handelen over zichzelf heeft afgeroepen. Ook dit legt evenwel onvoldoende gewicht in de schaal. Zoals hiervoor al is overwogen heeft [verzoeker] reeds openbare verantwoording afgelegd voor dat handelen, en de straf die hem ter zake is opgelegd volledig ondergaan. [verzoeker] heeft er terecht op gewezen dat een democratische rechtsstaat zich erdoor laat kenmerken dat degenen die een misdrijf plegen, daarvoor door de overheid ter verantwoording kunnen worden geroepen, maar daarna, ná die openbare verantwoording, opnieuw en ongehinderd met een schone lei moeten kunnen beginnen.

4.23. Google heeft er nog op gewezen dat het gaat om handelen van [verzoeker] in zijn professionele hoedanigheid (van artiestenmanager in de muziekindustrie) en dus niet om privé handelen. Die professionele hoedanigheid van [verzoeker] – die overigens betwist dat hij nog in de muziekwereld werkzaam is – is onvoldoende om de belangenafweging in zijn nadeel te laten uitvallen. Google heeft betoogd dat het handelen van [verzoeker] in de zakelijke wereld als een doodzonde wordt beschouwd. Dat moge zo zijn, maar dat geldt niet specifiek voor het beroep dat [verzoeker] uitoefent (althans uitoefende), dit is geen beroepsgroep waarvoor in het algemeen hogere integriteitseisen gelden, zoals bijvoorbeeld wel het geval is bij journalisten en artsen, zodat de vergelijking met de door Google aangehaalde uitspraak van deze rechtbank van 24 december 2015 (ECLI:NL:RBAMS:2015:9515) niet opgaat. Ook hier weegt weer zwaarder hetgeen hiervoor onder 4.17 is overwogen.

4.24. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat geen sprake is van een voldoende bijzonder en zwaarwegend publiek belang om te kunnen spreken van een ‘bijzonder geval’ als hiervoor onder 4.12 bedoeld. Daarom geldt overeenkomstig het uitgangspunt dat de grondrechten van een natuurlijk persoon als bedoeld in de artikelen 7 en 8 Handvest (het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht op bescherming van persoonsgegevens) zwaarder wegen dan, en dus voorrang hebben op, het economisch belang van de exploitant van de zoekmachine en het gerechtvaardigde belang van de internetgebruikers die mogelijk toegang kunnen krijgen tot de desbetreffende zoekresultaten. Dit betekent dat de vordering wordt toegewezen en dat Google wordt veroordeeld om de koppeling te verwijderen. Met Google acht de rechtbank de door [verzoeker] verzochte termijn van 24 uur waarbinnen Google de veroordeling dient na te leven te kort. Zij zal de termijn stellen op de door Google voorgestelde termijn van 14 dagen, nu Google gemotiveerd heeft toegelicht dat voor de zorgvuldige verwijdering een aantal handelingen dient te worden verricht, hetgeen mogelijk meer tijd vergt, en omdat deze langere termijn nog steeds voldoende recht doet aan het belang van [verzoeker] .